Hoe fijn het is te wandelen met een papieren kaart

Van toen naar nu Een wandeling in etappes door Nederland en door de tijd. Aflevering drie: met een Duitse wandelkaart in Twente op zoek naar mergel van 100 tot 145 miljoen jaar geleden.

Foto Eric Brinkhorst

Bij de genoegens van het wandelen hoorde altijd het kopen van een kaart bij Pied à Terre in Amsterdam of Stanley & Livingstone in Den Haag. Die tijd is voorbij, en die zelfstandige kaartenwinkels trouwens ook. Mijn favoriete kaart, de 62 kaartbladen die heel Nederland dekken in een schaal van 1:25.000, wordt niet meer bijgedrukt. Je kunt die topografische kaart wel online bestellen bij het kadaster, in elke gewenste uitsnede, op papier of als pdf. Maar dat voelt toch anders. En of het populair is weet ik niet; je ziet andere wandelaars vooral naar het schermpje van hun gps kijken.

In onze buurlanden zijn ze nog niet zover. Kompass, de Duitse kaartenmaker, heeft een papieren kaart van Münsterland die een stuk Gelderland en Overijssel meepakt, mét de Nederlandse wandel- en fietsroutes. Het is een beetje wennen: een ander kleurenpalet en vooral die ‘blik naar het westen’, nog een stukje over de Duitse grens en niet verder. Maar gelukkig met het Twentse plaatsje Losser, waar deze wandeling begint bij de Staringgroeve.

‘Groeve’ is een groot woord voor de forse kuil in een nieuwbouwwijkje met een parkje eromheen. De wanden zijn vuilgeel: dit is mergel uit het hautrivien, een periode van 3,5 miljoen jaar in de eerste helft van het Krijt (145-100 miljoen jaar geleden). Een ondernemende burgemeester vatte rond 1840 het plan op die mergel te winnen om landbouwgrond te verrijken en liet hier een paar proefputten slaan. En op dezelfde plek onderzocht de geoloog Winand Staring, zoon van de dichter A.C.W. Staring, een paar jaar later of er onder die losse mergel hardere zandsteen zat waarmee Nederland zou kunnen concurreren met de Bentheimse zandsteen, waaruit bijvoorbeeld het Paleis op de Dam deels is opgetrokken. Bad Bentheim, dat net over de Duitse grens op een heuvel ligt, „als een kaap in zee” – niet helemaal de goede beeldspraak, want de zandsteen is geen kaap maar oude zeebodem, zie de fossiele sponzen en zeeslakken die erin zijn gevonden.

Maar Staring, die later de eerste geologische kaart van Nederland zou samenstellen, moet toen al het bodemprofiel in zijn hoofd gehad hebben: een ‘golf’ van zandsteen die aan twee kanten van de grens aan het oppervlak komt. En zo voelt mijn Duitse wandelkaart, waarin het Duitse landschap naadloos overloopt in dat oostelijk stukje Nederland, opeens toch heel natuurlijk.

Ik rij Losser uit en parkeer, even westelijk, na een paar honderd meter op een zandweg en wandel richting de bosrand. Daar pik ik het Noaberpad op – een Duits-Nederlands langeafstandswandelpad dat met rood-witte schildjes Groningen met Kleef verbindt. ‘Noaber’, het Nedersaksische woord voor buurman, met het idee van hulp en solidariteit dat erbij hoort, en mooi dubbel wegens die buurlanden.

Afgezien van de twee die ik zelf heb meegenomen, is er deze zaterdagochtend geen hond. Het is doodstil. Of nee, niet helemaal. In de verte ruist een weg, er is een verre kettingzaag, tussen bemoste wortels sijpelt water, een grote bonte specht geeft vuurstoten af. Maar andere wandelaars of Twentse ‘naburen’ zie ik niet. Corona?

Dat verandert als ik via het natte bos van voorheen het Oldenzaalse Veen en de rhododendronjungle van het Haagsebos landgoed De Snippert bereik, een terrein van Natuurmonumenten. Ooit zwaaide hier de Heidemaatschappij de scepter, die ‘woeste gronden’ moest ontginnen: veen droogleggen, ruilverkaveling, van schrale heide landbouwgrond maken. Je kunt zeggen dat de ‘Heidemij’ bepaald heeft hoe het jongste laagje Nederland er hier uitziet.

Bij de Judithhoeve, het gesloten bezoekerscentrum, duiken ze na de middag als bij toverslag op tussen de houtwallen: joggers, fietsers in racetenue, wandelaars met stokken en een hoog tempo, en gezinnen met kinderwagens. Twente doet bij nader inzien nadrukkelijk niet aan ophokplicht. Hars van versgezaagde dennen hangt in de lucht bij de werkschuur van Natuurmonumenten. Ik adem maar eens diep in.