Necrologie

In een sobere stijl beschreef Carl Friedman de gruwelen van de oorlog

Carl Friedman (1952-2020) ’Tralievader’, de novelle waarmee Carl Friedman in 1991 debuteerde, werd met lof onthaald. De doorwerking van de Tweede Wereldoorlog was hét literaire thema van Friedmans oeuvre.

Carl Friedman. Brigitte Friedrich
Carl Friedman.

Brigitte Friedrich

„Ik heb kamp”, zei vader. Waarbij ‘kamp’ een toestand was, een ziekte die in schichtige ogen en nerveus trommelende vingers ging zitten – en in een eindeloos herhalen en herbeleven van zijn kampervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daaraan leed de vader en daaronder leed het gezin in Tralievader, de novelle waarmee Carl Friedman als schrijver debuteerde. Afgelopen vrijdag overleed Friedman na een ziekbed, op 67-jarige leeftijd.

Friedman (1952) groeide op in Eindhoven, werd opgeleid tot tolk-vertaler en werkte enige tijd als journalist voor dagblad De Stem. Tralievader werd in 1991 met lof onthaald, vond zijn weg naar het grote publiek en beklijfde als een kleine klassieker in de Nederlandse oorlogsliteratuur. De doorwerking van de Tweede Wereldoorlog werd hét literaire thema van Friedmans kleine oeuvre, dat ook bestond uit de geprezen roman Twee koffers vol (1993), die net als haar debuut verfilmd werd en in vertaling verscheen in onder meer het Duits, Frans en Engels.

Vertellend in een sobere maar geladen stijl trad ze in de voetsporen van een schrijver als Marga Minco, maar dan als oorlogsslachtoffer van de tweede generatie. Haar sobere stijl was een beredeneerde keuze. „De oorlog vaart er alleen maar wel bij als je grote woorden en holle frasen gebruikt. Het is een door en door smerig bedrijf, daar moet je niet bloemrijk over wezen”, zei Friedman in 1992 in een NRC-interview.

Dat het verhaal van Tralievader háár verhaal was, autobiografisch, sprak Friedman in interviews niet tegen, al deed volgens haar niet ter zake in welk kamp hij gezeten had, en om welke reden. Die onbestemdheid leidde een decennium later tot een deuk in haar reputatie. In 2005 onthulde HP/De Tijd dat Friedman, die de joodse religie aanhing en over de Joodse identiteit had geschreven, in bijvoorbeeld de verhalenbundel De grauwe minnaar (1996), uit een Brabants katholiek gezin kwam. Friedman, of Carolina Klop, werd zo middelpunt van een cultural appropriation-rel avant la lettre: ze zou het Joodse slachtofferschap aangenomen hebben voor eigen gewin. Dat haar vader in een kamp had gezeten, als verzetsstrijder, werd overigens niet ontkend.

Veronderstelde Joodse komaf

Uit piëteit – en omdat Friedman zich nooit direct over haar veronderstelde Joodse komaf uitliet – schreven de meeste kranten er niet over. Maar als columnist, vaak vurig strijdend voor de Joodse zaak, viel Friedman niettemin stil. Literatuur kwam er, op een bibliofiele uitgave in zeer kleine oplage na, niet meer uit haar handen. Nadat ze zich eerst had beroepen op een Joodse grootmoeder, die later verzonnen bleek, reageerde ze nooit meer op de kwestie.

Toch staat Friedmans proza, autobiografisch of niet, nog overeind. Zoals schrijfster en critica Doeschka Meijsing bij verschijnen in 1991 in een recensie opmerkte, draaide Tralievader om méér dan het autobiografische gehalte of het tweedegeneratieverhaal. „Wat de lezer veel harder treft is het besef dat het verleden van de ander altijd al moeilijk doordringbaar is, maar dat de werkelijkheid van een kampervaring ontoegankelijk is en tegelijkertijd ieders heden met rafels omhangt.” Daar was Friedman zelf, kun je achteraf vaststellen, het bewijs van.