Vrouwkje Tuinman.

Foto Frank Ruiter

Interview

‘Ik schrijf over iets wat ons allen één of meerdere keren overkomt’

De Grote Poëzieprijs 2020 Voor haar bundel ‘Lijfrente’ ontving dichter Vrouwkje Tuinman maandagavond de grootste Nederlandse prijs voor poëzie. De bundel gaat over de plotse dood van een geliefde en de rouw die dan volgt.

„Poëzie helpt”, zei de jury van De Grote Poëzieprijs 2020, „en Tuinman laat dat als geen ander zien”. Voor haar bundel Lijfrente ontving dichter Vrouwkje Tuinman maandagavond de grootste Nederlandse prijs voor poëzie (25.000 euro). Ze versloeg daarmee vier andere genomineerde bundels, waaronder Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz en Zon van Peter Verhelst.

Tuinman voelde zich de „outsider” op de shortlist, zegt ze. „Degene die er óók nog bij zat. Het zwaartepunt van de jury lag duidelijk bij maatschappelijke onderwerpen, de andere genomineerden kijken meer de wereld in. Nou ja: ik schrijf natuurlijk ook over iets wat ons allen één of meerdere keren overkomt.” Vanwege de coronamaatregelen was er geen feestelijke prijsuitreiking, wat Tuinman „wel weer passend” vond voor een bundel „die ik uiteindelijk liever niet had geschreven”.

Lees ook: Ellen Deckwitz en Asha Karami kanshebbers Grote Poëzieprijs

Lijfrente gaat over de plotse dood van een geliefde en de rouw die dan volgt. Op 16 maart 2018 overleed plotseling de dichter F. Starik – pseudoniem van Frank von der Möhlen – thuis in Amsterdam aan een hartstilstand. Hij werd gevonden door Vrouwkje Tuinman (1974), die al vijftien jaar zijn geliefde was. In haar bundel doet ze verslag van wat er vervolgens gebeurde, eerder zakelijk dan sentimenteel. Ze schrijft over alle aangebroken etenswaren en schoonmaakmiddelen die ze in zijn huis aantrof, hoe ze hem aankleedt voor zijn begrafenis, over condoleancekaarten (‘Mag ik van jou van de paardenbloempluizen die paarse/ waar bijna niks meer aan zit?’). Dood en rouw zijn al jaren hét literaire thema van Tuinman, die vier romans en zes dichtbundels schreef.

Hoe doe je dat, schrijven over het verlies van een geliefde?

„Dat kan ik alleen voor mezelf zeggen, want verlies is voor iedereen anders en ieder nieuw verlies is ook weer anders, heb ik gemerkt. Daarom schreef ik er al zo lang over. Het is elke keer nieuw en dat klopt ook, want met al je dierbaren heb je een unieke band. Dat werkt door in het rouwen.”

Het rouwen gebeurt in Lijfrente onverhuld en met relativering, met humor – zoals Von der Möhlen en Tuinman samen waren. In het gedicht ‘Huiselijke scènes’ noteert Tuinman wat de buurvrouw op de volkstuin zo mist: ‘Dat we de hele dag zaten te lachen. Het hele weekend werd er geschaterd.’

Tuinman: „Deze gedichten schreef ik aanvankelijk niet om ze te publiceren. Ik begon omdat ik momenten wilde vastleggen, ook het vervreemdende van sommige momenten. Dat gedicht waarin ik hem aankleed, schreef ik omdat ik dacht: laat ik dit maar even opschrijven, anders vergeet ik het misschien. Toen trof mij dat de man wiens werk dat aankleden is, merkte dat wij ervoor openstonden om iets te leren over zijn werk. Terwijl de situatie verdrietig was, vond ik dat heel mooi, naderhand. Het ging daar niet over de volgorde van aankleden, maar over contact maken.”

Lees ook: Vrouwkje Tuinman: ‘Hij wilde zo graag zijn oude leven terug’

Het opschrijven gaf u inzicht in wat er aan de hand is?

„En het relativeert. Ik heb lang geaarzeld om de bundel Nabestaandendesk te noemen: instellingen zoals banken hebben die om de zaken van overledenen af te handelen. Ik weet niet hoe vaak ik met hen verwikkeld raakte in een spiraal van onmogelijkheden. ‘Mevrouw, hij moet wel even een handtekening zetten.’ ‘Nou, dát wordt toch vrij moeilijk.’ Frank had dat kostelijk gevonden en ik kan daar ook van genieten. Niet altijd op het moment zelf, maar wel zodra ik het opschrijf.”

U probeert toch lichtheid in de zwaarte zien?

„Zo zit ik wel in elkaar, ja, en ik vind het belangrijk om dat te communiceren. Want dat is gewoon hoe het leven is. Het gaat niet over pieken en dalen, maar over de ambtelijke shit ertussenin. De dingen die om te lachen zijn, de dingen die belachelijk zijn – die zijn net zo groot als de tranen.”

Op welk moment wist u dat deze gedichten toch een bundel zouden worden?

„Toen ik voorzichtig durfde te schrijven over mijn nieuwe verkering. Ik dacht: ik moet eerlijk zijn, niet alleen vertellen hoe ik met de dood van Frank omga, maar dat ik ook met iemand zoen. Dat blijkt naast elkaar te kunnen: ik ben met Frank én ik heb verkering, dat is gelijkwaardig. Omdat ik vond dat dat niet moest ontbreken, wist ik: ik ben een verhaal aan het vertellen.”