Opinie

Geen Camus, wel Tsjechov

Frits Abrahams

Als je De pest van Albert Camus nu nóg niet gelezen hebt, tel je eigenlijk niet meer mee. Toch ben ik het niet van plan, juist omdat ik de pest elke dag in de uitgestorven binnenstad van Amsterdam al min of meer om me heen zie.

Zondagmiddag 29 maart 12.00: zes mensen op een verder volstrekt verlaten Dam. Twee mensen op een bankje bij de duiven, een man zittend met zijn rug tegen het Paleis, tegenover hem midden op het plein een levend standbeeld, gehuld in een zwarte mantel onder een gruwelijk, maar nu zeer toepasselijk doodshoofd, dat vanuit alle hoeken geduldig door een man gefotografeerd wordt. Voor wie deze foto’s (World Press Photo?) ooit onder ogen krijgt en aan de rand ervan een kleumende man gebogen tegen de snijdende wind ziet optornen – dat ben ik.

Camus wilde ik dus niet lezen, maar ik had dankzij deze stille dagen wel tijd voor een andere klassieke grootheid: Anton Tsjechov, wiens brieven ik bezat, maar nooit systematisch had gelezen.

Ik begon er welgemoed aan totdat ik bij een brief van 17 maart 1887 belandde. Tsjechov schrijft vanuit Moskou aan een kennis over een naargeestige reis die hij net naar St. Petersburg heeft gemaakt. „St. Petersburg maakte op mij de indruk van een dodenstad. Toen ik er aankwam was mijn verbeelding al geschokt, want ik kwam onderweg twee begrafenisstoeten tegen; en bij mijn broer trof ik tyfus aan. Van de tyfus ging ik naar Lejkin en vernam daar dat zijn portier vlak vóór mijn komst plotseling dood was neergevallen ten gevolge van buiktyfus.”

Waar hij ook kwam in St. Petersburg overal zag hij zieke en rouwende mensen. Een vriend wierp zich kreunend heen en weer op zijn bed, „en ik zat 2 ½ uur naast hem en vervloekte uit alle macht mijn machteloze geneeskunde”, schrijft Tsjechov, die zelf arts was.

Aan zijn bittere ervaringen hield hij gelukkig wel een kort verhaal over: ‘Tyfus’, ook uit 1887. De jonge luitenant Klimov reist van Petersburg naar Moskou waar hij doodziek aankomt en logeert bij zijn tante en zijn zuster Katja. Hij moet meteen het bed houden, een arts behandelt hem. Als hij genezen is, en weer bij bewustzijn, vertelt zijn tante hem dat hij aan vlektyfus geleden heeft. Hij vraagt waar Katja is. „Ze is door jou met tyfus aangestoken en… en is gestorven. Eergisteren hebben we haar begraven”, vertelt zijn tante.

Tsjechov beschrijft hoe bij Klimov eerst nog „de dierlijke levensvreugde” over zijn eigen overleving overheerst. Maar een week later beseft hij dat hij een onherstelbaar verlies heeft geleden. „Wat ben ik ongelukkig!” stamelde hij. „Mijn God, wat ben ik ongelukkig!”

Zo was ik, zonder De pest gelezen te hebben, via Tsjechov en St. Petersburg toch weer terug in Amsterdam, mijn eigen dodenstad, waar alles wat Tsjechov 133 jaar geleden beschreef ook zou kunnen gebeuren – en misschien al gebeurd was.

Toch is ook in Amsterdam nog steeds niet iedereen van dat gevaar doordrongen, merkte ik zaterdag toen ik ’s middags over het Westerdoksplein liep, bij het IJ. Daar staat een grote voetbalkooi waar ongeveer vijftien donkere mannen, twintigers nog, dicht op elkaar druk stonden te praten en te voetballen. Ze deden alles wat premier Rutte verboden had. Ze leken even onwetend als de Klimov bij Tsjechov – en ze konden er minstens zoveel spijt van krijgen.