De Wunderkammer vertelt zijn verhaal

Flessenpost Vanuit de Verenigde Staten schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: over de dingen die we steeds meenamen en niet weggooiden.
Illustratie Eliane Gerrits

In de hoek van onze boekenkast staan geen boeken maar dingen. De plankjes zijn zo’n dertig centimeter breed en de kast zelf zo’n twee meter hoog. Ze zijn gevuld met een rariteitenkabinet van spullen. Meegesleept met verhuizingen. Van ouderlijk huis naar studentenhuis, naar het geboortehuis van onze kinderen, naar Amerika. Telkens opnieuw werden ze uit dozen gehaald en op plankjes gezet.

We noemen het onze Wunderkammer. Ieder in ons gezin heeft een eigen plankje, maar in de loop van de tijd is alles door elkaar gaan lopen. Voor iemand van buiten wiens blik erop zou vallen, moet er geen touw aan vast te knopen zijn. Een vreemd allegaartje, zonder enige samenhang. Toch heeft alles zijn vaste plek. En elk object heeft zijn eigen verhaal.

Zelfs als ik mijn ogen sluit, weet ik het merendeel van de dingen te staan. Een piepklein verweesd matroesjkapoppetje dat ooit paste in een groter poppetje dat op haar beurt weer in een groter poppetje paste. Een blauw steentje van een eindeloze wandeltocht door Lapland, meegedragen in mijn rugzak.

Een schelp aangespoeld in Zandvoort op de dag dat ik wist dat ik een dochter kreeg. Een doosje met kralen van een gebroken ketting, in de gauwigheid opgeraapt om ooit weer opnieuw te rijgen, een allang vergeten belofte.

Verdwaald daartussen een porseleinen beeldje van Churchill met sigaar, dat de vorige bewoner heeft laten staan.

In de loop van de jaren gooiden we veel weg. Zakken vol brachten we met elke verhuizing naar de kringloop. Na elk schooljaar gingen de met zorg volgeschreven schriften bij het oud papier. Na buien van opruimwoede werden hele lades boven de vuilnisbak omgekeerd. Maar deze dingen bleven bewaard, omdat we ze nu eenmaal niet weggooiden. Ze bleven achter in het schepnet van de herinnering. Om het verhaal nog een keer te vertellen. Immers, om te weten wie we zijn, moeten we weten wie we waren.

De dingen hebben hun geheim, alleen aan de juiste verstaander geven ze dat prijs. En dan nog niet zomaar en ook niet op elk moment. Maar nu de tijd zichzelf in de staart bijt en ik onzeker ben over hoeveel later er nog is, vind ik mezelf vaak terug voor onze Wunderkammer.

Ik til het kinderhandje op dat mijn zoon in de kleuterklas drukte in klei, en leg het in de palm van mijn hand. Ik herinner me de trots toen hij het me gaf. Zijn springerige opgewondenheid. Kijk mama!

Maar in de chaos van een uitlopende kleuterklas, verdween het zonder veel omhaal in de tas, tussen de verse tekening en de krentenbollen. Een snel knikje naar juf Dolores, met haar schort vol spatten papier-maché. En voor ik het wist moest er een pleister geplakt op een geschaafde knie op het speelplein. Het is een wonder dat er alleen maar een barstje in zit.

De ontroering waarvoor ik toen geen tijd had, is er nu wel. Met de inmiddels volwassen zoon, ver van me vandaan. En alsnog de dankbaarheid voor juf Dolores, die zoveel meer verdiende dan die vage knik.

Reacties naar pdejong@ias.edu