Opinie

Een grote sterke herder

Franca Treur

Slaapliedjes zijn zo ongeïnspireerd, ze gaan bijna altijd over de maan of een schaap. In het laatste geval omdat het rijmt. Ik probeer te variëren, maar favoriet is hier een versje over een herder „met een sterke rug” die laat op de avond veel moeite doet om een afgedwaald schaapje te zoeken en terug te dragen naar de kooi. Het liedje is goed omdat het verhaal zo elegant wordt verteld.

„Hé, gaat dat wel over een gewone herder?”, vraagt mijn vriend. Ik zeg dat hij het pragmatisch moet bekijken. De naam God komt er niet in voor en de baby wordt er superrustig van. Van de melodie natuurlijk, van de tekst heeft hij nog geen benul. Al kan het zijn dat hij nog een restje heiligheid hoort in mijn stem, dat nog stamt uit mijn godsdienstige verleden.

Dichter Lieke Marsman zei laatst in de Volkskrant dat hele dagen geïsoleerd thuiszitten tot religieuze gevoelens kan leiden. Daar moesten we maar niet gek van opkijken. Ik denk dat ze bedoelde: in combinatie met angst. Bij haar is uitgezaaide kanker geconstateerd.

Ik ben goed in onheilsscenario’s, en de laatste jaren legde de klimaatverandering een grijs laagje over alles. Sinds ik een baby heb, transformeerde zich dat in een zekere interesse voor overlevingsstrategieën. Met als uiterste vraag: is er voor hem een goed leven mogelijk, zelfs als dat ten koste gaat van dat van anderen? Het coronavirus was maar een kleine rimpeling ten opzichte van de dreigende stijgende zeespiegel. Iets dat alleen tijdelijk een streep trok door alle leuke plannen die ik had. Maar inmiddels kriebelt er ook bij mij iets over mijn huid.

Dat gebeurde toen ik het verhaal hoorde van de coronapatiënt die een tas vol geld meenam naar het ziekenhuis. Hij was bang dat de verpleegkundigen vanachter het glas naar hem zouden zwaaien en hem alleen zouden laten sterven. Met het geld wilde hij zich van gezelschap verzekeren tot aan zijn laatste minuut.

Het detail van het geld maakt dat het verhaal zo aankomt.

Kun je sterven? Dat vroegen ze bij ons altijd in de kerk. Weet je wel zeker dat je zonden vergeven zijn, bedoelden ze.

Want bij ons ging je niet zo makkelijk naar de hemel. Slechts een enkeling kwam er, degenen die op een aanwijsbaar moment in hun leven door de Heere persoonlijk waren vrijgesproken van schuld en straf. Het overgrote deel van ons kon niet sterven. Als het moment daar was, gilden ze het uit op hun doodsbed.

Ik dacht altijd dat mensen die in rechterstoel noch hellevuur geloven, amper bang zijn voor de dood. Er is immers geen pijn om voor te vrezen.

Dat je bang kunt zijn om moederziel alleen dood te gaan, daar had ik nooit bij stilgestaan. Maar nu stel ik me voor hoe je in je eentje voorover tuimelt in een zwart gat. Op momenten van roekeloosheid heeft dat nog wel iets opwindends. Een beetje, zoals ik me als jong kind (toen ik dat van die vergeving van zonden nog niet helemaal begreep) voorstelde hoe men mij dood in mijn bedje trof en ik probeerde om er zo mooi mogelijk bij te liggen.

Maar op momenten dat je kwetsbaar bent, is er niets bitterzoets aan. Dan is de dood een ondraaglijk lot, iets dat je alleen maar heel ver voor je uit wilt schuiven. Je wil helemaal geen avontuur, je wil troost en verlichting.

Dan is het beeld van een grote sterke herder die je draagt door de vallei van de schaduw des doods (naar de grazige weiden en de zeer stille wateren) best aantrekkelijk. Iemand die tegen je zegt: Kom, wees niet bang. Ik draag je door dat donkere stuk, en daarna is alles goed en mooi. En dat je dat helemaal vertrouwt, en dan in foetushouding lekker wegdommelt.

Youp is ziek