Opinie

Corona toont anders onzichtbare sociale structuren

Zelfisolatie

Commentaar

Drie maanden geleden had nog nooit iemand van Covid-19 gehoord. Nu maakt de ziekte honderdduizenden patiënten, legt die de internationale economie stil, en veroordeelt burgers wereldwijd tot huisarrest. Meer nog dan andere internationale rampen in het recente collectief geheugen – 9/11, de kredietcrisis van 2008, de zich voltrekkende klimaatverandering – raakt de coronacrisis iedereen in Nederland persoonlijk. Wie niet direct met de ziekte te maken krijgt of de financiële gevolgen ervan ondervindt, wordt geraakt op sociaal niveau.

Dat iedere Nederlander twee weken geleden nog op zaterdagavond naar het café kon, of dat ruim vier weken geleden nog onbekommerd polonaises werden ingezet in het zuiden van het land, lijkt inmiddels iets uit een ander tijdperk. Rituelen en sociale structuren die tot voor kort zo vanzelfsprekend waren dat er nooit bij hoefde worden stilgestaan, en waar er zelfs in een geseculariseerde en geïndividualiseerde samenleving als de Nederlandse ineens toch nog veel van blijken te zijn, brokkelen verder af met iedere maatregel.

Eindexamenscholieren van de lichting 2020 vieren hun diploma niet met hun klasgenoten in de zon, maar binnen, op de bank bij hun ouders. Promoties, zo communiceerden de universiteiten, worden vanaf nu digitaal afgehandeld. Een drogisterijketen meldde een run op haarverf, want ook dat moet nu thuis boven de wastafel gebeuren. Gebedshuizen slaan voor het eerst in decennia het vrijdaggebed, de sjabbat, de zondag over. De paus liet weten dat de katholieken zich in deze tijden ook direct, zonder tussenkomst van een geestelijke, tot God mochten wenden – waar Twitteraars op reageerden met de opmerking dat de paus vijfhonderd jaar na dato alsnog op de Reformatie uitkwam.

Harder nog treffen de maatregelen de toch al eenzamen en kwetsbaren, en dan niet alleen ouderen of zieken die vrezen voor hun gezondheid, maar ook psychiatrische patiënten, verstandelijk beperkten, gedetineerden of bewoners van azc’s, die het tot nader order moeten stellen zonder bezoek, vaste zorg, taalles of dagbesteding. In heel Europa, en daarbuiten, zijn mensen op zichzelf aangewezen voor dagelijkse klusjes, scholing, werk of spirituele houvast. Ziekte en angst moeten worden bezworen zonder de nabijheid van vrienden of familie.

Agogen staan in de rij om het individu in crisistijd voor te houden hoe het sociale vacuüm ten goede kan worden gekeerd door verdere zelfontplooiing, tijd voor relaties of sport. De pogingen om op welke wijze dan ook iets van het geïsoleerd-zijn te maken kunnen alleen maar worden toegejuicht, al was het maar om een mild optimisme te voeden. Dat zal nodig blijken, want het einde van de nationale quarantaine is nog niet in zicht; het einde van de dagelijkse nieuwsberichten over opgenomen patiënten en sterfgevallen evenmin. Het is bovendien een reëel scenario dat na een versoepeling van de intelligente lockdown opnieuw periodes van zelfisolatie aanbreken om nieuwe uitbarstingen van het virus in te dammen. Dan zullen deze eerste twee weken pas een voorproefje blijken te zijn, de ‘crisis honeymoon’, zoals een hoogleraar het treffend noemde in NRC.

Onderwijl confronteert de crisis behalve met de anders onzichtbare bewegingsvrijheid, ook met het belang van sociale structuren. Collega’s blijken toch belangrijker dan zomaar horend bij het kantoormeubilair; de korte uitwisseling met de winkelmedewerker wordt niet direct overstemd door nieuwe sociale evenementen. De afhankelijkheid van huisgenoten, leraren, hulpverleners, vuilnismannen en vakkenvullers wordt deze weken voelbaar; de gezondheid van de een is cruciaal voor het welzijn van de ander. Dat vraagt tenminste gedurende deze intelligente lockdown om solidariteit en oog voor de medeburger. Tegen de tijd dat het virus zich koest houdt en de polonaise weer kan worden ingezet, ontstaat vanzelf ook weer de luxe voor onverschilligheid.