Analyse

Laten de nieuwe coronacijfers wel stabilisatie zien?

Cijfers Terwijl het RIVM een stabilisatie denkt te zien, neemt het aantal coronabesmettingen nog steeds toe. Hoe kan dat?

Bewoners aan de Amsteldijk in Amsterdam die koffie verkopen geven de spullen aan via een plank van 1,5 meter.
Bewoners aan de Amsteldijk in Amsterdam die koffie verkopen geven de spullen aan via een plank van 1,5 meter. Foto Olivier Middendorp

Was het RIVM toch te optimistisch, eerder deze week? Woensdag nog vertelde Jaap van Dissel - directeur Infectieziektenbestrijding van het RIVM - in de Tweede Kamer dat de uitbraak van het coronavirus in Nederland in een nieuwe fase leek te zijn gekomen. Met de nodige slagen om de arm: de uitbraak leek zich toch echt te stabiliseren.

Maar wat bedoelt het RIVM daar precies mee? Wie kijkt naar de cijfers op de RIVM-website ziet dat sinds 20 maart het aantal mensen dat met Covid-19 in het ziekenhuis is opgenomen vier dagen op rij iets gedaald is. Maar de laatste twee dagen ging dat aantal toch weer flink omhoog. Is dat stabilisatie?

Extra verwarrend is dat het RIVM twee ‘cijferstromen’ heeft, die elk weer een eigen verhaal lijken te vertellen. De ene stroom meldt het totaal aantal dagelijkse, nieuwe meldingen: van mensen die positief zijn getest op het coronavirus, van mensen die positief zijn getest en opgenomen zijn in het ziekenhuis, en van mensen die zijn overleden aan de gevolgen van Covid-19.

Lees ook: Nederland komt met noodplan om aantal coronatesten fors uit te breiden

Deze dagelijks gemelde aantallen kunnen een vertekend beeld geven. Vrijdag meldde het RIVM bijvoorbeeld 112 nieuwe overleden patiënten. Dat is het aantal meldingen dat het RIVM van de GGD’s heeft ontvangen tussen donderdag 10.01 uur en vrijdag 10.00 uur. Dat is een forse toename vergeleken met de dag ervoor: toen waren het er 78. Maar die 112 zijn niet allemaal de vorige dag overleden. Dat schrijft het RIVM ook erbij. Er zit vertraging tussen de dag van overlijden, en de dag dat de melding bij het RIVM binnenkomt.

Vertraging van één tot drie dagen

„Een arts stelt het tijdstip van overlijden vast. Die meldt het aan de GGD, en de GGD’s melden het weer aan ons”, legt Susan van den Hof, hoofd van het Centrum voor Epidemiologie bij het RIVM, uit. Hetzelfde geldt voor de cijfers van ziekenhuisopnames, en de positief uitgevallen testen. „Meestal komt een melding met een vertraging van één, twee of drie dagen binnen”, zegt Van den Hof. Maar het kunnen er ook meer zijn. Bij dat aantal van 112 bijvoorbeeld zat ook nog iemand die op 18 maart was overleden. „Zoveel vertraging is wel uitzonderlijk”, zegt Van den Hof. Ze merkt wel dat de vertragingen iets beginnen op te lopen. Ze vermoedt dat het te maken heeft met de drukte bij artsen en GGD’s. „Ze werken daar kneiterhard.”

Meldingen op datum

In de andere cijferstroom van het RIVM zijn de nieuwste meldingen wel op datum verwerkt. In de grafiek van vrijdag, over het aantal overleden patiënten, is te zien dat de 112 nieuwste meldingen zich over allerlei dagen uitspreiden. Dat is te zien, omdat het RIVM die nieuwste meldingen in de grafieken sinds een paar dagen een andere kleur geeft – mede gezien de verwarring die er was over de cijfers. Het laat het effect van de vertraging goed zien. Zo steeg door de nieuwste meldingen het aantal overleden patiënten op 23 maart nog met 6, tot 70. Voor bijvoorbeeld 20 maart kwamen er nog vier meldingen binnen, en steeg het aantal overledenen tot 47. En die aantallen zouden dus de komende dagen nog verder kunnen stijgen.

Mensen die de ontwikkelingen van de epidemie op de voet willen volgen, kunnen het beste de grafieken met de op datum verwerkte cijfers bekijken. Die geven het beste beeld.

Maar ook daar moet je voorzichtig mee zijn als je de epidemie wil interpreteren, zegt Jacco Wallinga, hoofd modelleren van infectieziekten bij het RIVM. „Schommelingen van de ene op de andere dag zeggen niet zo veel. Dat kan net zo goed ruis zijn.” Volgens hem kun je beter naar periodes van vijf à zes dagen kijken. Of liefst nog langer. Wat zie je dan? Van den Hof: „Dan zie je duidelijk dat de groeisnelheid van de epidemie is afgenomen.” Want als je de lijn van de exponentiële groei die er in het begin was, tot ongeveer 20 maart, zou doortrekken, zouden het aantal ziekenhuisopnames en het aantal doden de afgelopen dagen veel hoger moeten hebben liggen.

Foto Olivier Middendorp

Minder snelle groei

Maar dan terug naar de stabilisering van de uitbraak. Wat bedoelt het RIVM daarmee? Vlakt het aantal ziekenhuisopnames en het aantal doden af? „Het is niet zo dat we een plateau hebben bereikt”, zegt Van den Hof. „Maar de groei gaat wel veel minder snel.” En de hoop is dat het de komende week wel verandert in een plateau, of zelfs een afname. „Halverwege die week hebben we een beter beeld”, zegt Van den Hof. Want dan moet het effect van de maatregelen van 15 maart – sluiten van cafés, scholen, sportclubs – beginnen door te werken.

De vraag is nog wel wat er de oorzaak van is geweest dat de exponentiële groei de laatste week is afgevlakt? Terugrekenend zou die oorzaak te vinden moeten zijn ergens tussen 6 en 10 maart. Op 6 maart kwam in Noord-Brabant het advies om bij klachten thuis te blijven. Drie dagen later volgde de landelijke maatregel om geen handen meer te schudden. „De oorzaak zullen we nooit vinden”, zegt Wallinga. „Het zou ook het einde van de voorjaarsvakantie kunnen zijn geweest. Al die dingen lopen door elkaar. Je kunt hun effect niet uitsplitsen.”

Sinds gisteren neemt het RIVM ook cijfers over de intensive cares (IC’s) mee. Zo is op 26 maart een flinke afname te zien van de nieuwe opnames, een daling die doorzet op 27 maart. Maar ook in die cijfers zit vertraging. Omdat coronapatiënten zo’n drie weken op de IC liggen, volgt de piek in de IC-bezetting drie weken na die van de ziekenhuisopnamens, die dus komende week wordt verwacht.