Kruisvaarders vormden de zoveelste knokploeg in het Midden-Oosten

Middeleeuwen Ondanks religieuze verschillen draaide het koninkrijk Jeruzalem gewoon mee in de regionale machtspolitiek.

Foto AFP

Een geheime geschiedenis is het niet. Maar als het om kruistochten gaat, wordt zelden verteld hoe het kruisvaarderskoninkrijk Jeruzalem in de twaalfde eeuw volwaardig meedraaide in de nogal ingewikkelde regionale machtspolitiek van het toenmalige Midden-Oosten.

Hoe bijvoorbeeld in 1167 de jonge, ietwat vadsige christelijke koning Amalrik van Jeruzalem 400.000 gouddinars (bijna 2.000 kilo goud) zou krijgen van de islamitische grootvizier van Caïro om hem te helpen tegen diens oude bondgenoot, de al even islamitische emir van Damascus (die dezelfde grootvizier eerder aan de macht had geholpen, maar nu Egypte binnenviel). En zo kwam het dat Amalriks kruisleger daarna in heel Egypte vocht tegen die troepen van Nur al-Din, maar ook weer Caïro belegerde omdat de grootvizier traag was met betalen. Een complexe, razend spannende geschiedenis, maar misschien moeilijk te verfilmen.

Afgescheept met valse beloftes

Amalrik liet zich uiteindelijk door de grootvizier afschepen met valse beloftes. Daarmee miste hij – volgens sommige historici – zijn kans de geschiedenis van het Midden-Oosten en misschien wel van de hele wereld te veranderen. Want als Amalrik net wat agressiever was geweest, of meer geluk had gehad, was het machtige Egypte rond 1170 zo maar onderdeel geworden van het christelijke koninkrijk Jeruzalem.

Maar zo ging het niet, Nur al-Din van Damascus was Amalrik uiteindelijk te slim af. Het kruisleger kon weer terug naar Jeruzalem en Damascus en Egypte kwamen onder één islamitische heerser – en dat was écht slecht nieuws voor het koninkrijk Jeruzalem.

Recentelijk verschenen twee schitterende overzichtswerken die bij uitstek de complexiteit en veelzijdigheid uit de doeken doen van dit vreemdste verschijnsel uit de Middeleeuwen: de kruistochten.

De twee boeken vullen elkaar perfect aan. Analyse en context biedt The world of the Crusades van de Oxford-historicus Christopher Tyerman (1953), die al zijn hele academische leven de kruistochten onderzoekt. En voor goed vertelde verhalen zoals over Amalrik moet je het boek van de journalist en historicus Dan Jones (1981) hebben: Crusaders: The Epic History of the Wars for the Holy Lands.

Die geschiedenis in één alinea samengevat: op de golven van religieus enthousiasme en pauselijke machtspolitiek weten verrassenderwijs West-Europese avonturiers in 1099 een christelijke staat te stichten in de islamitische Levant die het tweehonderd jaar volhoudt. Pas in 1291 valt de laatste kruisriddersburcht, in Akko. Dat het feodale koninkrijk Jeruzalem het zo lang volhoudt komt door de grote inkomsten uit de welvarende kuststeden en de militaire en commerciële steun van Italiaanse schepen. Militair dankt het zijn bestaan aan de diepe verdeeldheid van de regionale tegenstanders en aan de regelmatige versterkingen door grote en kleine groepen nieuwe kruisridders uit West-Europa – later zijn de grotere van die groepen netjes door historici genummerd, van Kruistocht 1 (1096-’99) tot en met Kruistocht 9 (1271-’72).

De kruisvaarderstijd biedt een baaierd van verhalen. Jones vertelt bijvoorbeeld over de Turkse gouverneur van Antiochië die in 1098 veel te snel vluchtte toen een groepje belegerende kruisridders door een van de poorten van de stad brak. Met die overdreven angsthazerij maakte hij de eerste grote Europese verovering in de Levant mogelijk: de rijke handelsstad Antiochië. Dit soort anekdotes maakt duidelijk hoezeer het succes van die Eerste Kruistocht waarmee Jeruzalem veroverd werd een dubbeltje op zijn kant is geweest. Met een iets volhardender gouverneur had een nabij Turks ontzettingsleger binnen een dag korte metten gemaakt met de uitgeputte kruisvaarders. Nu konden de Franken – zoals de Europeanen in de Oost werden genoemd – zich verschansen in de stad die ze net zelf hadden ingenomen.

Felle meningen

Jones vertelt ook over ‘gewone’ mensen, zoals de Engelse pelgrim Margaret of Beverley die in 1187 Jeruzalem tevergeefs hielp verdedigen tegen een moslimleger en na de val van die stad in slavernij geraakte. „Mijn ketenen gingen roesten van mijn tranen”, schreef ze erover nadat ze weer was vrijgekocht.

De twee dikke boeken (respectievelijk 592 en 517 bladzijden) vormen een genuanceerde druppel op de huidige hete plaat van felle meningen over de kruistochten. Want veel belangrijker voor het imago van de kruistochten dan Amalrik (of Margaret) is zonder twijfel het bloedbad in Jeruzalem in 1099, toen de geharde eerste kruisvaarders na hun barre tocht van drie jaar eindelijk hun reisbestemming wisten te veroveren. En dankzij de verfilming in Kingdom of Heaven (2005) is de verpletterende nederlaag van Almariks opvolger Hugo in 1187 tegen Nur al-Dins opvolger Saladin ook vrij bekend geworden – een militaire klap die snel leidde tot Saladins verovering van Jeruzalem. In de film is die nederlaag het onvermijdelijke gevolg van bekrompenheid en incompetentie bij de kruisvaarders, maar bij Tyerman lees je een heel ander verhaal. De kruisvaarders hadden vooral pech.

Richard Leeuwenhart

Luister ook deze aflevering van Onbehaarde Apen: Wat bezielde de kruisvaarders?

En wie kent niet het verhaal van de kruistocht in 1191-1193 van de Engelse koning Richard Leeuwenhart? Vaak wordt daar bij verteld dat die hoofse koning Richard na de verovering van de kustplaats Akko bijna drieduizend islamitische krijgsgevangenen liet afmaken, na een conflict met Saladin over een net gesloten verdrag. (Een afschuwwekkende daad waaraan overigens ook Saladin zich schuldig maakte, na de slag bij Hattin.)

Die kruisvaartgruwelen zijn allemaal waar, maar deze verhalen zijn waarschijnlijk óók zo bekend omdat ze – beter dan Amalrik of Margaret – passen in het moderne gepolariseerde debat. Daarin staan kruistochten vooral symbool voor het begin van het ‘wrede westerse imperialisme’ dat het Midden-Oosten geknecht heeft of, desgewenst, juist voor het begin van de krachtige verdediging van ‘westerse waarden’ (vooral in white supremacist movements). Het belang van de boeken van Jones en Tyerman is daarom dat ze duidelijk maken dat al die moderne quasi-wereldhistorische ‘interpretaties’ ver staan van de werkelijkheid van 800 jaar geleden.

Trots op de kruistochten

Dat verband met westers imperialisme is overigens geen uitvinding van jihadisten. In de tijd dat het Westen nog trots was op zijn mondiale machtsuitoefening was het óók trots op de kruistochten. Toen bijvoorbeeld de Britse generaal George Allenby na de verovering op de Turkse Ottomanen in december 1917 Jeruzalem betrad als eerste westerse overheerser sinds de Middeleeuwen, hield hij – tot woede van lokale moslimleiders – een speech met berucht geworden woorden: „Nu pas zijn de kruistochten afgelopen.”

Bij elkaar genomen is het huidige kruistochtbeeld een relatief moderne culturele erfenis, met een negatieve component uit de achttiende-eeuwse Verlichting (die de kruisvaarders beschouwde als hoogtepunt van religieuze verdwazing) en een positieve door negentiende-eeuwse nationalistische historici en imperialisten (die er dus juist hun heroïsche voorgangers in zagen).

De werkelijkheid is dat de kruisvaarders de zoveelste knokploeg vormden die zich in de turbulente politiek van het Midden-Oosten stortte. Neem bijvoorbeeld dit citaat over Jeruzalem uit een Arabische kroniek waarmee het boek van Tyerman begint. „Grote aantallen werden gedood, zelfs de mensen die zich hadden verscholen in de Al Aqsa-moskee en op de Tempelberg. Alleen wie in de Rotskoepel was werd gespaard.”

Bloedige slachting

De lezer die de verhalen denkt te kennen, leunt dan achterover: ‘aha, het bekende verhaal van de slachting in 1099’.

Nee dus. Tyerman geeft hier een beschrijving van een heel andere, maar niet minder bloedige slachting in Jeruzalem die 22 jaar eerder werd gepleegd, in 1078, door Atsiz ibn Uwaq. Atsiz was een Turkse krijgsheer van voorbij de Kaspische Zee, die in die jaren in Syrië en Palestina een tijdje een eigen staat bestierde.

Tyerman schrijft daarom: „Soms wordt het beeld geschetst van de Eerste Kruistocht als een barbaars binnendringen in de irenische vrede van een stabiele, hoogontwikkelde en tolerante Arabische islamitische wereld. Dat is misleidend. De kruisvaarders waren toen één van de vele groepen indringers op jacht naar voordeel. Juist omdat het Midden-Oosten toch al een toneel was van geweld, competitie, ontwrichting en verwarring konden de kruisvaarders de overhand krijgen.”

Godfried van Bouillon leidde in 1099 de inname van Jeruzalem, weigerde de koningskroning en stierf in 1100. Eeuwenlang bleef hij een held in ridderromans. Hier is hij afgebeeld (mét koningskroon!) bij de belegering van Jeruzalem.

Illustratie uit 1337: Li rommans de Godefroy de Buillon… / leemage

De Europese machtsuitoefening overzee, bijna tweeduizend kilometer ten oosten van Italië, kwam onverwacht. Al sinds de val van het West-Romeinse Rijk, ruim zeshonderd jaar voordat kruisvaardersaanvoerder Godfried van Bouillon de Heilig Grafkerk in Jeruzalem betrad, was het oostelijke Middellandse Zeegebied altijd het beter georganiseerde en het meer geletterde gebied geweest. Maar precies in de tijd dat de ridders in de Levant arriveerden, was het niet best meer gesteld met die organisatie, vooral door de Turkse expansie en hun nogal los samenhangende sultanaat. Honderd jaar eerder hadden de Europese ridders geen schijn van kans gehad. Toen werd het Midden-Oosten nog gedomineerd door drie geavanceerde en verstedelijkte militaire machten die elkaar in evenwicht hielden: het Byzantijnse Rijk, het (soennitische) Kalifaat van Bagdad en de (sjiitische) Fatamidische dynastie in Egypte. Mede door de komst van de Seldjuks was die stabiliteit na 1050 verdwenen.

Europa was een uithoek

En in de elfde eeuw was Europa nog steeds een uithoek, met een hooguit ontluikende verstedelijking in een verder intens agrarische maatschappij. Pas in 1088 werd bijvoorbeeld de eerste universiteit gesticht, in het Italiaanse Bologna. Eén relevante ontwikkeling was er wel in Europa: vanaf 1050 nam de machtspretentie van de paus in Rome sterk toe. Hij ging koningen en keizers de les lezen en probeerde ook de kerkelijke hiërarchie te centraliseren. Je kan zeggen dat het fenomeen van de kruistocht een middel van de paus was om eigen troepen te kunnen werven, maar wel onder bijzondere omstandigheden.

Kernmoment voor de kruistochten is een Franse kerkvergadering in 1095 waarop paus Urbanus II verscheen, Dát hij Italië verliet was al bijzonder, maar hij riep óók nog eens op tot hulp aan de benarde Byzantijnse keizer én tot een expeditie tegen de ‘bezetters’ van de christelijke heilige plaatsen in Palestina. In een cultuur waarin de wereldlijke machthebbers steeds gevoeliger werden voor christendom en zochten naar christelijke legitimiteit voor hun geweldsuitoefening, ging die oproep rond als een lopend vuurtje. De bonus was: wie oprecht berouw toonde, kreeg van de kerk dankzij die gewapende pelgrimage volledige vergeving van zijn zonden.

Expedities organiseren konden die ridders prima

Een aantal hoge edelen (geen koningen) nam in 1095 de handschoen op. Het werd een klassieke feodale expeditie, samengesteld uit persoonlijke volgelingen van de adellijke leiders. Veruit de meesten kregen ook keurig soldij betaald. Van de motieven van de meeste deelnemers weten we niks, schrijft Tyerman. De organisatie van deze en latere kruistochten – met vaak tienduizenden manschappen, proviand voor lange tijd en precieze coördinatie tussen land- en zeemachten – is overigens verrassend goed. Militaire expedities organiseren konden die ridders wel.

Ook militair waren ze niet de mindere van de verschillende islamitische legers, zoals vele veldslagen bewezen. En de fascinerende ‘burger-kruistocht’ geleid door ene Peter de Kluizenaar, die in 1096 vertrok, bewijst dat christelijk enthousiasme niet tot de bovenlaag beperkt bleef. Met deze waarschijnlijk tienduizenden pelgrims liep het wel slecht af: in West-Anatolië werden ze zo goed als uitgeroeid door een Turks leger.

Opvallend is dat in de twaalfde eeuw de kruistochten als fenomeen voor tijdgenoten nog moeilijk te onderscheiden waren van pelgrimages en andere oorlogen ter verdediging van de kerk – een conclusie waarmee de mediëvist Tyerman al in de jaren 90 naam maakte. Er bestond voor 1300 niet eens een middeleeuws woord voor kruistocht. In die beroemd geworden eerste kruistochtpreek van 1095, de aftrap voor de Eerste Kruistocht, sprak Urbanus simpelweg van een expeditio. Zelfs het nu zo vertrouwde symbool van het kruis werd pas vanaf de Derde Kruistocht (1187-1192) populair. Pas toen werd de term crucisignatus (getekend met het kruis) een normaal woord, voor wat wij als vanzelfsprekend ‘kruisvaarder’ noemen.