Anita Leeser-Gassan vertelt over haar oorlogservaringen: „Ik was tien jaar, ik was een afgeknipt oud vrouwtje geworden”

Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Ik riep: pappie, pappie, pappie! Maar hij herkende me niet

Tweede Wereldoorlog In Oorlogskinderen portretteert Coen Verbraak mensen die als kind de oorlog hebben meegemaakt. Anita Leeser-Gassan (85) was 10 jaar toen ze terugkeerde uit Bergen-Belsen. Een voorpublicatie.

Ze komt nog vaak langs de plek, in de Gerrit van der Veenstraat in Amsterdam. Het ziet er nu zo onschuldig uit, bij dat kinderspeelplaatsje. Maar altijd moet ze er weer aan denken; dáár was het, in de kelder van die middelbare school in wat toen nog de Euterpestraat heette. Daar zat ze in juli 1944 met haar moeder en stiefvader gevangen, nadat ze verraden waren op hun onderduikadres. Vanaf daar gingen ze naar het Huis van Bewaring op de Weteringschans. Vervolgens werden ze op transport gesteld, eerst naar Westerbork, daarna naar Bergen-Belsen. Negen jaar was Anita Leeser-Gassan nog maar. Maar de beelden van toen staan haarscherp op haar netvlies. Niet als een bewegende film; de herinnering is eerder gestold in snapshots. De oorlog is een album met plaatjes geworden. Maar wel een album dat onverhoeds open kan vallen, op onverwachte pagina’s. Zoals die keer dat ze als kinderrechter jaren later opeens drie kaalgeschoren skinheads voor zich kreeg. „Toen draaide mijn maag zich om. Ik ben mijn kamer uitgelopen en heb een collega gevraagd om de zaak over te nemen. Ik kon het gewoon niet aan.”

Anita Leeser-Gassan (1935) groeide op in Amsterdam. Haar vader Samuel Gassan was diamantair. Haar moeder Carolina Biet was huisvrouw. Ze hadden geen goed huwelijk. In 1942 scheidden ze van elkaar en vluchtte haar vader voor de nazi’s naar Zwitserland. Zij bleef met haar moeder achter in Amsterdam. Later trok haar tweede vader bij hen in.

Als jong meisje besefte ze dat er voortdurend een dreigende wolk boven hun bestaan hing. In 1942 kwam ze als vanzelf in aanraking met de eerste anti-joodse maatregelen. Ze was nog maar zeven toen ze in de badkamer zo hard viel dat ze naar de dokter moest. Maar dat mocht niet met de tram. Joden mochten geen gebruik meer maken van het openbaar vervoer. Dus droegen ze haar lopend naar de dokter.

Als ze al zou vergeten dat ze Joods was, dan was er altijd nog die gele ster die op haar blauwe hesje genaaid was. Ze moest vanaf 1942 ook verplicht naar een Joodse school.

Haar moeder kreeg een baan bij de Zentralstelle voor sterilisering. In die Centrale Israelitische Ziekenverpleging (CIZ) konden joodse mannen en vrouwen die getrouwd waren met een niet-joodse partner zich laten steriliseren. Van een keuze was niet echt sprake: wie zich niet liet steriliseren wachtte transport naar Westerbork. Wie het wel deed kreeg nieuwe papieren en was van de gele ster af. Ze vindt het nog altijd moeilijk om daar over na te denken. Was het nou slecht van haar moeder om daar te gaan werken? Of had ze gewoon geen andere keuze? SS-Sturmbannführer Eduard Meyer had de leiding over die Zentralstelle. Het was een geluk dat hij zelf niet achter het project stond. „Hij keek bij attesten opvallend vaak de andere kant uit. Uiteindelijk zijn er daardoor veel minder mensen onvruchtbaar gemaakt dan de Duitsers wilden.”

‘Jullie moeten nu echt onderduiken’

In februari 1944 kreeg haar moeder een dringend advies van Meyer. „Hij zei: ik krijg berichten dat het voor Joden zeer kritiek gaat worden. Jullie moeten nu echt onderduiken.” Toen begon voor haar, haar moeder en stiefvader een rondtocht langs verschillende onderduikadressen. Het verblijf op zo’n adres was vaak van korte duur. Dan kregen ze bericht dat hun adres op het punt stond om verraden te worden en moesten ze bliksemsnel weer naar een andere plek verhuizen. Ze weet nog hoe ze op een avond hun biezen aan het pakken waren om te verkassen naar een woning boven de firma Schiet, aan de Elandsgracht. Plotseling was er een inval op het adres waar ze op dat moment nog verbleven. Ze wisten zich nog net op tijd te verstoppen op hun schuilplek. Ze hoorden hoe Duitse soldaten ondertussen de woning doorzochten. Opeens ging de telefoon. „We hoorden een Duitser zeggen: ‘Schiet is aan de lijn’. Dus toen begrepen we dat dat adres waar we op weg naar toe waren verraden was. Dat het een val was. Ze hebben nog heel lang naar ons gezocht maar ze hebben ons niet gevonden.”

Twee onderduikadressen later ging het alsnog mis. Ze hadden daar op het oog een mooie schuilplaats, achter een dubbele wand in een kast. Maar nadat er hard was aangebeld liep een van de Duitsers linea recta op de kastdeur af. In paniek bood ze hem nog haar lievelingspop aan. „Ik hoopte dat hij ook een kind had, en dat hij het een mooie pop vond. Maar hij keek er niet eens naar.” 16 juli 1944 belandde ze met haar moeder en stiefvader in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans. Op 20 juli 1944 moesten ze vertrekken uit Amsterdam, richting Westerbork. Vanaf de Weteringschans werden ze met een tram naar het Centraal Station gebracht. „Daar stapte je niet direct in de trein. Je moest eerst een stukje over de rails lopen naar een plek buiten het station. Daar waren spoorwegmensen aan het werk. En ik zal nooit vergeten dat die riepen: ‘jullie komen terug, jullie komen terug!’. Om ons een beetje moed te geven.”

Anita Gassan als klein meisje

Het verblijf in Westerbork duurde maar tien dagen. Op 1 augustus werden ze op transport gesteld naar Bergen-Belsen. Pas jaren na de oorlog hoorde ze dat dat de voorlaatste trein naar Bergen-Belsen was.

Bergen-Belsen was een verschrikkelijk kamp. Maar er was één belangrijk verschil met Auschwitz: er werd niet vergast. Mensen stierven er vooral aan ontbering, ondervoeding en ziektes. „We hadden alle soorten tyfus die je maar kon bedenken: vlektyfus, buiktyfus, gewone tyfus.”

Ze sliep bij haar moeder in dezelfde barak, op dezelfde matras. Driehoog in een stapelbed, pal naast de wc’s. Middenin een ondraaglijke stank. Hoe jong ze ook was, ze begreep hoe groot de dreiging was. Want de dood stond altijd om de hoek. Haar stiefvader werd ongenadig hard geslagen door Kapo’s en overleed later in kamp Oranienburg. Maar ook in hun eigen barak was de dood nooit ver weg. In het bed achter hun lag een moeder met haar dochter. „Op een dag ging dat meisje dood. Het kind werd naar de badruimte gedragen. Daarna kroop die moeder weer in bed.” Tijdens het Joodse Paasfeest bezweek ze zelf bijna aan de ontberingen. „Boven ons bed was een ombouw. Daar stond een pannetje op. Terwijl ik zo hondsberoerd was viel dat pannetje ook nog ‘ns op mijn hoofd. Ik had zoveel pijn… dat kan ik bijna niet vertellen. Ik begon langzaam buiten bewustzijn te raken. Opeens begonnen de mensen om mij heen de liederen van het Joods Paasfeest te zingen. Daardoor ben ik toch weer wakker geworden. Dat blijft voor mij echt een Godswonder.”

En altijd was er die ellendige, stekende honger. Om die maar niet te voelen vertelden de vrouwen elkaar recepten. Er ging zelfs een kookboek rond, dat het kamp was binnengesmokkeld. Ze voedden zich met letters. „Ik vroeg een keer aan mijn moeder of ik even in het boek mocht lezen. ‘Nee’, zei ze, ‘want je hebt net al een stukje brood gegeten’. De honger in Bergen-Belsen dreef sommige gevangenen tot waanzin. In de winter van 1945 zag ze langs de rand van het kamp de rijen lijken liggen. „Opengesneden omdat ze dan de lever er nog uit konden halen om te eten. Gevangenen aten elkaar. Mensen waren echt helemaal uitgehongerd.”

The Lost Transport

Toen in het voorjaar van 1945 de Geallieerden Bergen-Belsen steeds dichter begonnen te naderen besloot de kampleiding dat een deel van de gevangenen op transport moest naar Theresienstadt. Daar was in januari 1945 een gaskamer gebouwd. „De bedoeling was dat wij daar vergast zouden worden.” Dagenlang reisden ze met de trein in veewagons door Duitsland, met aan de ene kant de Russen en aan de andere kant de Britten en Amerikanen. Die laatste drie treinen (met in totaal bijna zevenduizend mensen aan boord) zouden de geschiedenis ingaan als The Lost Transport. Want toen hun trein stilhield bij station Maagdenburg werd dat station net door de Geallieerden gebombardeerd. „De Duitsers waren altijd uitstekend in het registreren. Maar door dat bombardement gingen de gegevens van onze trein verloren.” De trein zelf doorstond het bombardement. En Anita en haar moeder overleefden door onder de trein te schuilen. Toen duidelijk werd dat Theresienstadt niet gehaald zou worden, ontstond nog even het plan om hun trein met inzittenden en al de Elbe in te rijden. „Maar ook de Elbe hebben ze door het enorme oorlogsgeweld niet gehaald.”

Die dagen in die veewagon staan haar nog messcherp bij. Met veertig mensen in een kleine benauwde ruimte, met maar één ton die diende als toilet. De trein uitvluchten was geen optie. Aan de ene kant lagen de Russen, aan de andere kant de Engelsen en Amerikanen. Er werd doorlopend geschoten. „Dat was echt een heel angstige periode. Mensen stierven om je heen in die wagon. Er werd wanhopig gehuild en geschreeuwd. Dat kan ik nóg horen…”

Op een dag was het ineens voorbij. De trein hield halt, en naast de wagons verschenen drie Russen op paarden. „Ze gebaarden: ‘zoek je weg maar’. Ze dwongen Duitsers in een naburig dorpje om plaats voor ons te maken. Wie dat niet deed werd ter plekke doodgeschoten.”

Lees ook dit interview met de zoon van Eddy de Wind, die als jonge arts het kamp in Auschwitz overleefde: ‘Mijn vader vond zichzelf geen held, maar hij was het wel’

Uiteindelijk kwam ze in de zomer van 1945 weer terug in Nederland. In Eindhoven zag ze na dik drie jaar haar vader weer terug. Dat is zo’n verhaal dat ze eigenlijk nog steeds niet met droge ogen kan vertellen. Haar vader had gehoord dat er in Eindhoven een transport was aangekomen. Uiteindelijk zag ze hem de school binnenlopen, waar ze was opgevangen. „Ik riep: ‘pappie, pappie, pappie!’ Maar hij herkende me niet. Ik was er zo belabberd aan toe dat ik helemaal niet te herkennen wás.”

Alsof er niets gebeurd was

Na de oorlog probeerden ze het leven van vroeger weer op te pakken. Ze gingen weer in Amsterdam wonen, in het huis waar ze ook voor de oorlog gewoond hadden. Alsof er niets gebeurd was. En haar ouders besloten om het opnieuw met elkaar te proberen. Maar gewoon kind zijn zoals vroeger lukte haar niet meer. „Ik was tien jaar, maar door alles wat ik had meegemaakt allang geen kind meer. Ik was een afgeknipt oud vrouwtje geworden.”

Het is ook vast geen toeval dat ze rechten ging studeren, zegt ze. „Daar zit toch de hang naar rechtvaardigheid in.” Aanvankelijk werkte ze als advocaat, later werd ze kinderrechter in Amsterdam. En altijd bleef de oorlog onbewust een belangrijke maatstaf. Zeker als ze kinderen uit huis moest plaatsen. Wat hád ze bijvoorbeeld een hartgrondige hekel aan de zogenoemde Glenn Mills scholen, waar moeilijk opvoedbare jongeren met harde hand bijgestuurd werden. „In dat zogenoemde Bull-systeem moest je je opwerken: eerst moest je op de grond zitten, daarna mocht je op een stoel. En dan moest je vanaf die stoel de jongens op de grond weer commanderen. Dat systeem heb ik als kinderrechter ongeveer persoonlijk de nek omgedraaid. Ik weigerde pertinent om daar nog kinderen heen te sturen. Omdat het me aan de Kapo’s uit het kamp deed denken.” Of neem die jongen die onder toezicht werd gesteld en in een jeugdinrichting werd kaalgeschoren om ’m discipline en tucht bij te brengen. „De gedachte was dat je eerst moest afbreken voordat je kon opbouwen. Daar ging ik echt van over mijn nek. Zijn moeder had nota bene Auschwitz overleefd. Ik heb direct overplaatsing geregeld.”

Ze heeft nog altijd moeite met kaalgeschoren koppen. „Al kun je dat tegenwoordig niet meer volhouden; het zijn er te veel.” Kale koppen zijn voor haar het symbool van ontmenselijking. Zo probeerden de Duitsers mensen het laatste restje persoonlijkheid af te pakken. „Als ze mij mijn haar hadden afgeschoren was ik doodgegaan. Dat weet ik absoluut zeker.”

Als ik oudere Duitsers tegenkom moet ik ze toch altijd even meedelen dat ik in een kamp heb gezeten

Als ze nieuwe mensen ontmoet is er altijd die onuitgesproken vraag, die ultieme lakmoesproef: kan ik jou vertrouwen? Waar zul jij staan als het weer misgaat? Kan ik bij jou onderduiken of juist niet? Ze merkte eigenlijk pas in Israël dat dat mechanisme haar in Nederland altijd leidt. „Want daar vroeg ik me dat voor het eerst namelijk helemaal niét af. Daar kon ik het loslaten.”

Ze loopt niet te koop met haar Joodse achtergrond. In een reisgezelschap zal ze zich niet zomaar als ‘Joods’ afficheren. Voor je het weet raakt ze weer verzeild in een ingewikkelde discussie over Israël. „Tegelijkertijd ben ik er trots op dat ik Joods ben. En als ik oudere Duitsers tegenkom moet ik ze toch altijd even meedelen dat ik in een kamp heb gezeten.” Dat leidt soms tot bijna kolderieke taferelen. Op een bruiloft raakte ze ooit in gesprek met een oude Duitse vrouw. Het gesprek kwam onherroepelijk op haar kamptijd in Bergen-Belsen. Het was inmiddels laat op de avond geworden, en het leek haar geen goed idee om de oude vrouw vlak voor bedtijd al te zeer met gruwelverhalen te belasten. „Dat mens moest toch ook nog kunnen slapen.” Dus ze zei dat het inderdaad allemaal niet makkelijk was geweest in de oorlog. Maar goed, ze had er ook weer levenslessen door geleerd. „De volgende dag vertelde die vrouw aan het ontbijt: ‘zie je nou wel, dat Bergen-Belsen was helemaal niet zo erg. Dat vrouwtje van Leeser had het voor geen geld willen missen’.”

Het schuldgevoel van de overlever

Vijfentwintig jaar geleden besloot ze nog een keer terug te gaan naar Bergen-Belsen. Barakken stonden er niet meer. Ze liep over een kale vlakte, die ze zich helemaal niet herínnerde als vlakte. Wel torende hier en daar een onheilspellend heuveltje boven het landschap uit. „En dan weet je: hier liggen drieduizend doden. En onder dat heuveltje daar liggen er vijfduizend. Dat is zo enorm confronterend.” En natúúrlijk werd ze op zo’n moment besprongen door survivor’s guilt; het schuldgevoel van de overlever. Met welk recht had zij het overleefd, en al die anderen niet? „Misschien toch met de opdracht om er iets goeds mee te doen.” Maar één onwrikbaar uitgangspunt stond daarbij voor haar altijd centraal; ze is geen slachtoffer, ze is een overlever. „Niet zielig zijn, maar je verantwoordelijkheid nemen. Dat is mijn leven lang mijn leidraad geweest.”

Haar twee zoons probeerde ze er zo weinig mogelijk mee te belasten. Maar haar kleinkinderen willen er juist alles over horen. In 2019 deed ze mee aan een briefwisselingsproject met scholieren. Ze onderhield onder meer een uitgebreide briefwisseling met Mustafa, een zestienjarige vluchteling uit Syrië. Hem hield ze dat ook voor: zorg dat je je geen slachtoffer voelt, maar een overlever. Ook als je verschrikkelijke dingen meemaakt moet je proberen het heft in eigen handen te nemen. „Je hebt het niet voor niks overleefd, dus doé er iets mee.” Ze heeft doorgewerkt als rechter tot één dag voor haar zeventigste verjaardag. Toen moest ze met pensioen.

Nog steeds gaat er geen dag voorbij of het verleden duikt wel weer even op. De oorlog is voor haar nooit echt voorbij. Maar dat is niet erg, vindt ze. Dat is juist goed. Het mág ook nooit verdwijnen. „Zolang ik leef zal ik daar mijn best voor doen. Het verhaal moet verteld worden.”

Onlangs kreeg ze 15.000 euro van de Nederlandse Spoorwegen, als schadevergoeding. Een mooi gebaar. Niet dat ze het geld nodig heeft, maar toch… het gaat om het idéé. Al realiseert ze zich dat degenen van wie ze het geld krijgt persoonlijk niets met de holocaust te maken hebben gehad. Wat ze er mee gaat doen weet ze nog niet. Ze is van plan haar zoon in New York op te zoeken. Een vriendin van haar zei nog: ‘je vliegt nu toch wel businessclass, he? Van dat geld moet je extra makkelijk gaan zitten’. Daar begreep ze helemaal niks van. Waarom zou ze dat doen? Moet ze nu dan opeens breeduit gaan zitten omdat ze toen moest stáán? En wat maakt ‘extra makkelijk zitten’ dan precies goed? Ze heeft het uiteindelijk verdeeld over haar achterkleinkinderen. „Omdat ik het gevoel heb dat zij straks mijn leven zullen voortzetten.” Toen ze las hoe weinig mensen er nog maar over zijn aan wie ze dat bedrag kunnen betalen, schrok ze wel. Van de 107.000 Joden die uit Westerbork weggevoerd werden overleefden er maar vijfduizend de oorlog. En van die vijfduizend zijn er anno 2020 nog maar vijfhonderd over. Vijfhonderd! En daar is zij er dus één van. Nog maar even en dan zijn ook de laatste ooggetuigen er niet meer. „Dan moeten júllie het verhaal verder vertellen.”