Fleurige zaadmengsels bedreigen Nederlandse flora

Natuur Het lijkt zo mooi: bloeiende akkerranden om insecten te helpen. Maar tussen de zaden kunnen insecticiden zitten. Of exoten.

Foto Getty Images

Geef ze bloemen en vlinders fladderen en bijen gonzen! Maar goed dat overheden, natuurclubs en boeren bermen, velden en perceelranden inzaaien met kleurrijke bloemenmengsels, ter verrijking van het verarmde platteland waar nu zelfs de paardenbloem het aflegt tegen mest en glyfosaat. Maar goed dat natuurliefhebbers tegels lichten en zogenoemde zaadbommen verspreiden, als daad van protest tegen de versteende intratuintjes, de saaie parken, de gifgroene gazons. Hoe simpel kan het zijn...

Toch is het minder simpel dan het lijkt. De oogstrelende weiden met korenbloemen, klaprozen, ganzenbloemen en robijnrode inkarnaatklavers zien er feestelijk uit. Maar als het alleen om een kleurtje gaat, kun je net zo goed plastic bloemen neerzetten. Want gunstig voor zeldzame, inheemse insecten en voor het herstel van natuurwaarden is zo’n exotisch bloemenrandje niet per se.

Insecten hebben er niets aan

„Er zitten nogal wat haken en ogen aan het klakkeloos rondstrooien van bloemenzaden”, waarschuwt de Wageningse hoogleraar plantensociologie Joop Schaminée. „Ten eerste zijn die bloemen bedoeld voor bijen en andere insecten, terwijl ze al jaren gekweekt worden met het oog op grote, felgekleurde bloemen. Die vormen vaak geen nectar en stuifmeel meer; insecten hebben er niets aan.”

Daar kun je op letten, dat je niet van die doorgefokte feestbloemen zaait. In tuincentra zijn zaden voor insectenbloemen te koop, vaak met een plaatje van een bij op het zakje. Er is soms zelfs een hoekje ingericht, waar bijenbloemen in potten te koop zijn. Maar helaas zegt dat niet alles. Wie zaadmengsels koopt voor hectares hooiland of kilometers akkerrand, heeft de keus tussen goedkope mengsels uit Spanje of Roemenië of dure uit Nederland. Best kans dat die zuidelijke zaden insecticiden bevatten, wat alsnog desastreus zou zijn voor insecten. De Britse bijenbioloog Dave Goulson vertelde twee jaar geleden tijdens een lezing in Nederland dat hij een partij van die bijenplanten had gekocht, om ze te laten onderzoeken. Op bijna alle bloemen bleken insecticiden te zitten.

Je gaat toch ook geen kamelen op de Veluwe uitzetten?

Joop Schaminée hoogleraar plantensociologie

Ernstiger nog dan het soms tegenvallende nut voor insecten vindt Schaminée de floravervalsing door buitenlandse soorten. „Dat we die in tuinen zetten is nog te begrijpen, maar je wilt geen exoten in de natuur. Daardoor raak je de gebiedseigenheid kwijt – zo krijg je op elke plek dezelfde paar bloemen die het overal goed doen. Dan kun je het landschap niet meer lezen. Kijk, ergens groeien dotterbloemen omdat die zich er door de eeuwen heen in wisselwerking met de bodem, de vochtigheid en bepaalde insecten thuis zijn gaan voelen. Waarom zou je daar inkarnaatklavers zaaien? Je gaat toch ook geen kamelen op de Veluwe uitzetten? Daarbij komt dat die exotische soorten de inheemse soms wegconcurreren.”

Tegenwoordig worden bermen van rijkswegen ingezaaid met bijvoorbeeld peen en pastinaak. Peen is de wilde variant van de wortel en bloeit met witte schermbloemen, die aardig combineren met de gele schermbloemen van pastinaak. Ook al komen die twee soorten van nature misschien niet overal samen voor, ook al is het zaad uit Spanje ingevoerd, het zijn wel soorten die vanouds in Nederland voorkomen.

Er zijn te weinig plekken

Dat brengt Schaminée op zijn derde, ernstigste bezwaar tegen lukraak zaaien van bloemen: genetische erosie. „Als je een mengsel hebt van ecologisch geteeld zaad van wilde bloemen die vanouds in Nederland voorkwamen, lijkt er niets aan de hand. Maar ook die inheemse soorten worden jarenlang doorgekweekt, waardoor de genetische diversiteit afneemt – plantaardige inteelt. Het zijn bovendien wel inheemse soorten, maar van een uitheemse variant. Een Nederlandse zandraket zit genetisch anders in elkaar dan een Poolse. Sterker nog: parnassia uit de duinen verschilt van parnassia uit de Achterhoek. Aan het dna kun je zien uit welke streek de plant afkomstig is. Ook qua uiterlijk verschillen buitenlandse varianten vaak iets, en als ze uit het zuiden komen, bloeien ze wellicht eerder. Sleedoorn, een heester, wordt veel langs wegen en bosranden geplant. Daarvoor gebruiken ze uitheemse sleedoorns die twee weken eerder bloeien, als er nog nauwelijks bijen zijn. Een mismatch is dat. En neem nou bolderik, een schitterende roze akkerbloem. Die is zoals de meeste akkerkruiden uitgeroeid, op twee kleine populaties na: bij Brummen en in Zuid-Limburg. En omdat het zo’n mooierd is, wordt bolderik overal gezaaid, maar vrijwel altijd van een andere variëteit, en meestal zelfs van een andere, sterk verwante soort! Als die de twee inheemse populaties bereiken en ermee kruisen, raken we ze kwijt. Terwijl het daarom gaat bij biodiversiteit: genetische variatie, zowel binnen als tussen soorten.”

Schaminée weet als geen ander dat we onze vroegere bloemenrijkdom moeten herstellen om het wegkwijnen van insecten en vogels te stoppen. De laatste jaren zijn tientallen plantensoorten in Nederland uitgestorven en tweederde van ons land wordt te intensief bewerkt, bespoten en bemest voor wilde kruiden. Als we dat grootschalig willen herstellen, dan is het allereerst noodzakelijk om terreinen uit productie te halen en daar ‘plant-aardige’ voorwaarden te scheppen.

We hebben Ardense dravik. Iemand van ons wist zaad te winnen uit een gedroogd exemplaar

Peter Verbeek Natuurbalans

Maar dat is niet toereikend. Er zijn simpelweg niet genoeg plekken waarvandaan zaden kunnen overwaaien. Er moet dus gezaaid worden, maar waar haal je het zaad vandaan? Daarvoor is het Levend Archief opgericht. Daarin werken biologen, vrijwilligers en natuurbeschermers samen om zoveel mogelijk zaaigoed te verzamelen en veilig op te slaan – een zaadbank die als de omstandigheden beter zijn weer als zaaddonor kan optreden. Om de kiemkracht te bewaren, worden er bovendien planten opgekweekt in kassen in Amsterdam, Wageningen en Nijmegen. En soms staat er zelfs een uitgestorven soort uit de dood op.

„We hebben Ardense dravik”, vertelt Peter Verbeek van Natuurbalans, een belangrijke deelnemer aan het Levend Archief. „Die was uitgestorven, maar iemand van ons wist zaad te winnen uit een gedroogd exemplaar in een herbarium. Dat sloeg verrassend goed aan bij ons op de klei. We kweken superzeldzame bloemen als het driekleurig viooltje, wilde ridderspoor en brede raai. Van brede raai groeide een kleine populatie op een particuliere akker op de Veluwe. Staatsbosbeheer bemachtigde die akker en zaaide er in eerste instantie gras, met als doel een heischraal graslandje. Gelukkig is het belangrijkste deel van dit terrein weer omgezet in akker en kwam de brede raai volop terug uit de ondergrondse zaadbank.”

Voedselarme bodem is goed voor veel bloemen, zegt Verbeek, maar akkerkruiden hebben minder schrale grond nodig, net als de gewassen waartussen ze groeien. „Vroeger kenden boeren alle manieren van met de hand of mechanisch onkruid wieden, nu niet meer. Ze gebruiken overal vergif voor. Akkerplanten kunnen daar niet tegen, maar hebben wel onderhoud nodig; ze vallen tussen wal en schip en zijn de zwaarst bedreigde plantengroep van Nederland. Daarom leiden wij beheerders op in natuurlijke akkerbouw, op door ons beheerde akkertjes. We hebben er inmiddels zo’n honderd ingezaaid. Daar hebben we zaad genoeg, want als een plant aanslaat kun je van een akkertje nieuw zaad oogsten.”