Opinie

Een liberale democratie kan niet zonder vertegenwoordiging

Democratie Voelen burgers zich werkelijk beter vertegenwoordigd in de politiek als er meer burgerinspraak komt? Zulke democratische vernieuwing is populistisch, en verzwakt het parlement, schrijft .
Beeld NRC

Politieke partijen blokkeren „als een heuse hindermacht” verandering van ons politieke stelsel, zo viel te lezen in een van de drie antwoorden op de vraag Hoe de democratie te vernieuwen? (NRC, 14/3). De representatieve democratie heeft zijn langste tijd gehad, was de teneur van deze reactie van een groep voorstanders van allerlei nieuwe vormen van burgerinvloed. Deze aversie tegen de huidige indirecte democratie klonk helaas ook door in de adviezen die de Staatscommissie parlementair stelsel in december 2018 uitbracht. Is het tot nu toe nog gebruikelijk dat gekozen politici in ons aller belang brede, eigen afwegingen kunnen maken, als het aan de staatscommissie en haar medestanders ligt lopen parlementsleden voortaan aan de leiband van ‘de burger’.

Terwijl veruit de meeste burgers tevreden zijn met het bestaande politieke systeem, stelde de staatscommissie voor met het bindend correctief referendum, de gekozen formateur, het bevorderen van voorkeurstemmen en het inroepen van burgeradviezen via digitale participatie en gelote burgerfora de democratie te ‘versterken’. Daarmee is de commissie, onder leiding van Johan Remkes, in feite gezwicht voor een populistische benadering van democratie waarin intermediaire instituties zoals het parlement en politieke partijen slechts van matig belang worden geacht. Een griezelig gegeven.

Lees hier terug: Hoe de democratie te vernieuwen? Drie ideeën

In het eindrapport van de staatscommissie, dat nog op nadere politieke behandeling wacht, zegt zij natuurlijk niet met zoveel woorden dat de democratie zoals we die kennen moet verdwijnen. Inhoudelijk en stilistisch is de aanpak eerder die van een wolf in schaapskleren. In een wollig geformuleerd verhaal wordt weliswaar erkend dat de parlementaire democratie „behoorlijk goed functioneert”, maar dat dit in de toekomst zo blijft, „is allerminst zeker”, zo speculeert de commissie. Want: „Sommige groepen in de samenleving voelen zich niet goed vertegenwoordigd”. Wat dit nou eigenlijk voor een ‘gevoel’ is en of het een gevoel betreft dat je werkelijk kunt wegnemen met vormen van directe democratie, laat de commissie in het midden.

De mening van de kiezer

Verder merkt de commissie op dat gangbare politieke praktijken zoals coalitievorming en het sluiten van compromissen tot gevolg kunnen hebben dat er in Den Haag besluiten worden genomen waarin een meerderheid van de bevolking zich niet kan vinden. De ondertoon is ook hier: dit is heel erg. Alsof het niet nogal logisch is dat wat het parlement beslist niet samenvalt met de meningen van kiezers. Politici hebben in onze pluriforme samenleving nu juist de opdracht uiteenlopende inzichten, belangen en overtuigingen in het vizier te krijgen, af te wegen en om te smeden tot verdedigbare visies en besluiten. Per definitie wijken de uitkomsten van dit proces af van wat individuele burgers ‘zelf willen’.

Helemaal bont maakt de commissie het als ze poneert dat een stem uitbrengen op een politieke partij voor veel mensen niet langer inhoudt dat zij de gekozenen een mandaat verlenen – een uitspraak die haaks staat op de genoemde waardering voor de representatieve democratie. Ook suggereert ze berustend dat politieke ideeën er voor veel mensen niet echt meer toe doen in een tijd die steeds meer ‘identiteitsgestuurd’ zou zijn.

Al met al vult de staatscommissie het concept parlementaire democratie impliciet in als een volksdemocratie, zoals ook juriste Eva van Vugt in een wetenschappelijk artikel heeft opgemerkt. In de representatie-opvatting die de commissie als ‘eigentijds’ naar voren schuift, draait het volgens Van Vugt niet langer om argumenten en politieke visie maar om het uitvoeren van ‘de wil van het volk’. De commissie geeft hiermee een wel heel vrije uitleg aan artikel 50 van de Grondwet, dat luidt: „De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk”. Op de keper beschouwd, zo stelt Van Vugt, herinterpreteert ‘Remkes’ dit artikel als: „De Staten-Generaal gehoorzamen het gehele Nederlandse volk”.

De wil van het volk bestaat niet

Deze kijk op representatie is naïef, bedrieglijk en dus verwerpelijk. Er bestáát immers niet zoiets als ‘de wil van het volk’. Zoals gezegd moet er ingewikkeld en vindingrijk politiek werk worden verzet om vanuit een veelheid aan wensen, feiten en factoren te komen tot verantwoorde besluiten waarmee de meeste mensen kunnen leven. Bij dit ‘werk’ zijn contacten van parlementariërs met mensen en organisaties in de samenleving aan de orde van de dag. Bovendien kunnen burgers zich allang op tal van manieren bemoeien met de politiek. Vergaande democratische vernieuwing is daarom niet nodig, bevoordeelt slechts bepaalde (mondige) groepen en leidt ertoe dat burgers in hun rol van kiezer juist minder serieus worden genomen.

In zijn voorlopige reactie heeft het kabinet laten weten dat het de analyse van de staatscommissie op het punt van ‘gebrekkige inhoudelijke representatie’ onderschrijft. Dat was te verwachten: opeenvolgende kabinetten-Rutte hebben zich (op instigatie van de Tweede Kamer) al driftig beijverd voor meer burgermacht op het gemeentelijke niveau, een trend die door de commissie-Remkes niet kritisch is geëvalueerd maar warm wordt begroet.

Lees ook: De wil van de meerderheid is nog niet de wil van het volk

Overigens voorziet Remkes ook in enkele voorstellen ten behoeve van een ‘sterk parlement’. Maar met haar verkapte pleidooi voor een volksdemocratie koerst de staatscommissie per saldo aan op een zwak parlement. Hopelijk realiseren de Eerste en Tweede Kamer zich dit wanneer zij de bevindingen van de commissie en de kabinetsreactie bespreken.

Het is, tot slot, een gemiste kans dat de staatscommissie zich niet heeft gebogen over diverse hardnekkige organisatorische problemen binnen de rijksoverheid. Gezien het feit dat doordacht en doortastend beleid op menig terrein al jaren uitblijft – van de jeugdzorg tot de Groningse aardbevingsschade en van de landbouw tot duurzame mobiliteit – lag onderzoek naar dieperliggende oorzaken van slonzig politiek-bestuurlijk handelen voor de hand. Dat had waardevolle inzichten kunnen opleveren omtrent de voorwaarden voor een beter functionerend parlement en landsbestuur. Gebaseerd op representatie die een gezonde afstand tussen kiezer en politieke instituties intact laat.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.