Recensie

Recensie Media

Werkweken van 80 uur en meditatie-retraites: de wereld van techmiljonairs in Silicon Valley

Anna Wiener is midden twintig als ze naar Silicon Valley verhuist om bij een start-up te werken. In haar memoir Uncanny Valley beschrijft ze de bizarre wereld van techmiljonairs.
San José in Californië, een deel van Silicon Valley
San José in Californië, een deel van Silicon Valley

Anna Wiener is halverwege de twintig als ze na drie jaar als onderbetaalde assistent bij een New Yorkse uitgever naar San Francisco verhuist om bij een bedrijf in Silicon Valley te gaan werken. Met een achtergrond in de humaniora wordt Wiener medewerker van de klantenservice bij een start-up in data-analysesoftware, geduldig e-mails schrijvend om aan andere start-ups uit te leggen hoe ze die software kunnen inzetten om zoveel mogelijk data van hun gebruikers te verzamelen.

Silicon Valley is, zo suggereert Wiener, een culturele woestenij vergeleken met het Brooklyn waar zij opgroeide. Wieners boek Uncanny Valley. A Memoir – in 2016 verscheen een veelbesproken essay met dezelfde titel in het tijdschrift n+1 – is een verslag van die cultuurshock.

Het beeld dat Wiener schetst mag bekend voorkomen, de esthetiek van Silicon Valley is nog nooit zo literair en nauwgezet gedocumenteerd als in Uncanny Valley. De populatie van de vallei, en in toenemende mate van heel San Francisco, bestaat overwegend uit jonge, witte mannen in fleecetruien, op orthopedische schoenen en met een fitbit om de pols. De kantoren zijn uitgerust met pingpongtafels en elektrische skateboards, een eigen bar met een eigen happy hour, en schalen vol studentenhaver. ‘Het is soms moeilijk te zeggen of een bedrijf traint voor een marathon of gewoon voorziet in een naschoolse snack’, schrijft Wiener.

Burning Man

Efficiëntie en productiviteit zijn de maxime van de investeerders, uitvinders en coders die Wiener opvoert. Werkweken van tachtig uur worden omlijst met duursport en meditatie-retraites om het vol te houden. Ze identificeren zich als ‘accelerationist’ (technologie zal emancipatoir werken, ook al creëert het nu nog een select gezelschap miljonairs), ‘effectieve altruïst’ (zoveel mogelijk geld verdienen om het later altruïstisch in te zetten) of ‘biohacker’ (de grenzen van de menselijke vermogens oprekken).

De jonge entrepreneurs zijn in de ogen van Wiener weliswaar oplossingsgericht en nieuwsgierig, maar hebben geen enkel historisch of politiek besef. Alles wordt zonder gêne ingezet om eerst de software en vervolgens het leven te optimaliseren. De Stoa, opgeknipt in tegeltjeswijsheden, wordt gezien als ‘life hack’. Zelfs de opflakkerende populariteit van het marxisme, meent een collega van Wiener, is te interpreteren als nostalgie, zo’n beetje in de categorie van zelf brood bakken, larpen of de ruilhandel bij het Burning Man-festival.

Tech verpest alles

Veelzeggend is het gesprek dat Wiener voert met een CEO op een ‘microblogging-platform’ – Twitter, kan de lezer opmaken. Wiener introduceert alle bedrijven die langskomen zo dun versluierd dat je je afvraagt waarom ze überhaupt de moeite doet en ze niet allemaal bij naam noemt: Facebook is het ‘sociale netwerk waar iedereen een hekel aan heeft’, Microsoft is een ‘softwareconglomeraat uit Seattle’, Google is ‘de zoekmachinegigant’ die eigenlijk advertenties verkoopt. De CEO, van een andere Silicon Valley-start-up, vraagt zich online af waarom boeken niet wat dunner zijn; dan zouden meer mensen ze lezen en de informatie tot zich kunnen nemen. Wiener reageert: ‘Tech needs to stop trying to ruin everything I love’. De wens van die CEO is overigens inmiddels uitgekomen; er bestaan apps die voorzien in samenvattingen van boeken en adverteren met teksten als ‘key takeaways from the world’s best nonfiction books’.

Ondanks het gedetailleerde beeld dat Wiener schetst, blijft Uncanny Valley een boek dat met gretige instemming gelezen zal worden door een culturele elite die toch al neerkijkt op de banaliteit van de tech-wereld, en minder door de populatie van Silicon Valley zelf. Wiener omschrijft de uitvinders en coders als slim, gedreven, geobsedeerd door efficiëntie en gezondheid. Zijzelf is, daarentegen, zo schrijft ze, emotioneel, ambivalent, complex, geïnteresseerd in ieders gevoelens.

Optimalisatiedrift

Dat er een verschil is in karakter tussen Wiener en de meerderheid van de techbro’s zal best. Maar Wiener suggereert ook dat Silicon Valley de waarden die zij belangrijk acht – ambivalentie, complexiteit, emotie – uit de wereld zuigt, en dat is een al te simplistische cultuurkritiek. Silicon Valley mag een drama zijn voor muzikanten en filmmakers, voor de inwoners van San Francisco, mogelijk zelfs voor de democratie, maar je kunt niet volhouden dat, bijvoorbeeld, een medium als Instagram of het ‘sociale netwerk waar iedereen een hekel aan heeft’ niet voorziet in een overvloed aan gevoelens, emoties of opvattingen van wat schoonheid is.

De suggestie dat boeken niets dan informatie zijn die ook wat compacter kan worden weergeven, zal liefhebbers steken, maar Wiener probeert niet eens te formuleren waarom de door haar gekoesterde boeken meer zijn dan dat, of waarom ambivalentie en een meanderend leven ook wat waard zijn tegenover de optimalisatiedrift van de valley. Dat mag voor een boel mensen een vanzelfsprekendheid zijn; in een boek over Silicon Valley kan het niet als zodanig worden aangenomen.