Al die naamloze moeders

Iedereen leest Wekelijks schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week: Lichter dan ik van Dido Michielsen die het verhaal aanvult van alle „naamloze moeders van duizenden Indo-Europeanen en hun nageslacht”.

Liefde in de gordel van smaragd: veel clichématiger kan het niet, denk je wanneer je de historische roman Lichter dan ik, het romandebuut van journalist en schrijver Dido Michielsen, openslaat. Cliché of niet, het getuigt in ieder geval van lef om na de vele discussies over de verwerking van ons koloniaal verleden (het al dan niet terechte tempo doeloe-gevoel bij Nederlanders), een roman te schrijven die zich afspeelt in voormalig Nederlands-Indië rond 1850. Maar een tempo doeloe-roman is het niet, want deze keer wordt het verhaal van de andere kant verteld.

Michielsen koos voor een liefdesgeschiedenis tussen het Javaanse meisje Piranti en een Hollandse officier. Zij was de kraton, de paleisstad waarin zij werd geboren en waar haar moeder in dienst was, ontvlucht om niet uitgehuwelijkt te worden. Met de flirterige officier krijgt ze twee dochters, maar met haar trouwen doet hij niet. Isah, zoals hij haar liever noemt, blijft zijn bediende. Hij en zijn vrienden houden er niet bepaald verlichte denkbeelden over Javanen op na: „achterlijke inboorlingen die er zonder de Nederlanders niets van terecht zouden brengen”.

Zoals Hollanders dat doen in Indische liefdesgeschiedenissen verlaat de officier haar om zijn aanstaande vrouw („zij heeft vier jaar op mij gewacht”) in Haarlem op te halen. Wat er met de kinderen gaat gebeuren, en met Isah? Hij denkt er geen moment over na.

In januari verscheen de achtste druk van deze roman en in de CPNB Bestseller 60 is hij pas deze week gezakt van de elfde naar de negenentwintigste plaats.

Michielsen liet zich voor haar roman inspireren door het leven van haar betovergrootmoeder. Het is een verhaal dat veel van de zogeheten ‘njai’ of ‘bijvrouwen’ overkomen is: ze raakten hun kinderen kwijt, niet alleen doordat die in een ander gezin opgroeiden, maar ook doordat die in een andere stand terecht kwamen, ze waren immers ‘lichter’ dan hun moeders.

Michielsen schreef een liefdevol, sober en beeldend verteld verhaal over het leven van deze Javaanse vrouw in Nederlands-Indië. Over rangen en standen maar ook over hoe de hand te houden bij het dansen, het gekonkel van vrouwen in de paleisstad en de processen van de batikcultuur. Ze vult het verhaal van alle „naamloze moeders van duizenden Indo-Europeanen en hun nageslacht” aan, dat Reggie Baay eerder al zo mooi vertelde in zijn boek over De njai (2009).

Het was niet voor dit gedrag van de Hollanders dat Koning Willem Alexander op 10 maart zijn excuses aanbood aan de Indonesische president Joko Widodo, die betroffen de „geweldsontsporing van Nederlandse zijde” in de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië. Maar ‘de pijn en het verdriet’ waar de koning ook over sprak als onderdeel van de koloniale geschiedenis, hebben ook met dit soort gedrag te maken. Dido Michielsen laat dat in haar boek zien. En zo krijgen de excuses meer gezicht.

Reacties: boeken@nrc.nl