Recensie

Recensie Boeken

Voor de gewone soldaat was het kiezen: verveling of een rol als kanonnenvlees

KrijgsgeschiedenisEen uitgebreide studie behandelt de menselijke kant van het krijgsbedrijf in de Republiek. Leger en vloot opereerden er binnen een sociaal, economisch en politiek kader.

Grenadier en musketier van de Mecklenburgse troepen en twee musketiers en een jager van het Regiment van Waldeck, 1788.
Grenadier en musketier van de Mecklenburgse troepen en twee musketiers en een jager van het Regiment van Waldeck, 1788. Aquarel: S.G. Casten, 1795–1796. Rijksmuseum Amsterdam.

De Tachtigjarige Oorlog mag dan wel in 1648 afgesloten zijn met de Vrede van Münster, in de volgende 165 jaar was Nederland ook nog eens tachtig jaar in oorlog. Niet langer streed men tegen Spanje, het betrof nu vier oorlogen tegen Engeland, vier tegen Frankrijk, een tegen Zweden en voor een lange periode nog een oorlog met en onder Frankrijk tegen Engeland.

Tussen al dat krijgsgewoel lagen lange periodes van vrede. Over die jaren, van 1648 tot 1813, toen de Fransen uit ons land werden verdreven, handelt het omvangrijke boek Krijgsmacht en handelsgeest, het derde deel van een serie die uiteindelijk vijf delen zal omvatten. De reeks is opgezet en geschreven door onderzoekers van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Het is niet alleen een serie die lof verdient voor de voortreffelijke bijdragen, de welgekozen illustraties, de heldere kaarten en de hele vormgeving, maar vooral ook door de vernieuwende invalshoeken.

Lang is militaire geschiedenis er een geweest van minutieus beschreven gevechten te land en ter zee, van oeverloze verplaatsingen van regimenten, bataljons en compagnieën, van veranderende uniformen en rangaanduidingen. Voor dit boek is gekozen voor een modernere benadering, die aansluit bij een internationale tendens in de militaire geschiedschrijving. Daarbij gaat het veel eerder over het functioneren, de inzet en het optreden van leger en vloot binnen het sociaal, economisch en politiek kader. En niet alleen krijgen de officieren aandacht, ook is veel ruimte ingedeeld voor de soldaten en matrozen.

Bureaucratie

Het boek valt uiteen in twee delen. Het eerste, meest traditionele deel geeft een overzicht van de politieke en militaire ontwikkelingen van de behandelde periode. Daarna volgen de hoofdstukken die ingaan op de praktijk van het militaire bestaan en onder andere op de vraag hoe dit kleine federale landje zich zo lang staande heeft weten te houden met zo’n grote krijgsmacht. En dat zonder een groot bureaucratisch overheidsapparaat zoals de omringende landen dat hadden.

Een eerste verklaring is dat het land, met name het gewest Holland, onnoemelijk rijk was en zich lange tijd dankzij hoge belastingen en omvangrijke staatsleningen veel kon permitteren. Dat geld kon worden aangewend voor een groot leger en een omvangrijke oorlogsvloot. Het leger moest de Franse dreiging vanuit het zuiden tegengaan, de vloot moest de overzeese handel vrijwaren van de Britse aanvallen.

Een tweede verklaring voor die kleine overheid ligt in het effectieve systeem waarbij delen van het krijgsbedrijf waren geprivatiseerd. Regimenten, compagnieën, scheepsbemanningen waren in feite eigendom van hun officieren. Zij opereerden als ondernemers. Een kapitein van een compagnie betaalde zijn manschappen uit zijn eigen beurs, voorzag hen via particulieren van wapens, kleding en voedsel en regelde de inkwartiering. Zijn geld kreeg hij niet direct van de staat, maar van tussenpersonen, de zogeheten solliciteurs-militair. Die schoten de bedragen voor en leverden later de rekening – vermeerderd met rente en een flink honorarium – in bij de overheid. Die solliciteurs functioneerden dus als financiële buffers; zij zorgden voor geregelde betaling van de soldij en dat vrijwaarde het leger weer van muiterijen.

Het boek handelt ook over zaken als de motivering om dienst te nemen, over rekrutering, inkwartiering, carrièreverloop en over de moeilijke logistieke operaties waarbij tienduizenden mannen en duizenden paarden verplaatst en gevoed moesten worden. Officieren van het leger waren doorgaans van adel; hun promotie hing minder af van verdiensten dan van familierelaties, goede betrekkingen met de stadhouder en niet te vergeten van geld. Voor aanzienlijke bedragen kon men bijvoorbeeld een compagnieschap kopen. Dat was een goede investering omdat dankzij het ‘ondernemers’-systeem flinke winsten te halen waren. Creatief boekhouden hoorde er gewoon bij.

Bij de marine kwamen de officieren niet per definitie uit de aristocratische kringen. Hier werd wel degelijk naar bekwaamheid gekeken. De officieren waren dan ook vrijwel altijd opgeklommen vanaf een lage rang en hadden voor hun bevordering een grondige maritieme leerschool doorlopen. Michiel de Ruyter is daar het beroemdste voorbeeld van. En juist die lange mars van lichtmatroos tot admiraal heeft dergelijke vlootvoogden de heldenstatus bezorgd. Met praalgraf en al.

Lees ook: De geslachtsdelen afgehakt, borst gekliefd, hart uitgerukt

Waren voor de officieren aanzien en financieel voordeel en ook familietraditie redenen om dienst te nemen, voor de gewone soldaat lag dat anders. Doorgaans was werkeloosheid en armoede een prikkel. Grof gezegd lag zijn toekomst tussen twee kwaden: verveling of een rol als kanonnenvlees. Wat dat eerste betreft: in de achttiende eeuw beleefde de Republiek tweemaal een decennialange periode van vrede. Dat betekende voor de soldaat een monotoon leven in garnizoenssteden. Exerceren en wachtlopen, veel meer viel er niet te doen. De verveling werd bestreden in de kroeg met kaart- en dobbelspel.

Brak de oorlog uit dan volgden lange dagmarsen, ongemakkelijk verblijf in kampementen en uiteindelijk de strijd. Na de slag verdwenen de gesneuvelden in massagraven. De gewonden werden opgelapt door veldchirurgijns. En wie gewond uit de strijd kwam, een oog, een been of een hand had verloren werd daarvoor met vastgestelde bedragen gecompenseerd. Ook kon men kiezen voor een invaliditeitsuitkering. In het slechtste geval restte de bedelstaf.

Middenstand

Een laatste hoofdstuk gaat in op de verhouding tussen militair en burger. In de haven- en garnizoenssteden profiteerde de middenstand. Er moesten voedsel en kleren worden ingekocht, kroegen floreerden. In oorlogstijd was het andere koek. Burgers en boeren werden ingeschakeld om te werken aan fortificaties en het aanleggen van loopgraven; inundaties brachten het platteland grote schade toe. Steden werden belegerd, gebombardeerd en geplunderd.

Aan al die menselijke kanten van het krijgsbedrijf wijdt dit boek aandacht. Kritiek is hoogstens mogelijk op de bijschriften. Die hadden hier en daar uitvoeriger gekund. Van welk regiment is de afgebeelde militair? Welk ordeteken draagt die officier? Welke vlag wappert daar op het achterdek? En welke regimenten of eskaders zijn nu precies afgebeeld en in welke fase van de strijd? Kortom wat zien we nou eigenlijk? Die vragen golden, in de chaos van de strijd en tussen al die kruitdampen, in de werkelijkheid trouwens ook.