Recensie

Recensie Boeken

Waarom Simone de Beauvoir meer was dan Sartre’s aanhangsel

Powerkoppel In een prikkelende biografie benadrukt de Amerikaanse filosoof Kate Kirkpatrick de autonome houding van de Franse schrijfster, die dateert van voor zij Sartre leerde kennen. Ze wilde al jong een leven van denken en schrijven.

Het leven en werk van Simone de Beauvoir worden in iedere tijd weer anders geïnterpreteerd.
Het leven en werk van Simone de Beauvoir worden in iedere tijd weer anders geïnterpreteerd. Foto Evening Standard/Getty Images

Simone de Beauvoir maakte deel uit van een intellectueel ‘power couple’. Daarbij is de intellectuele kracht altijd aan Sartre toegeschreven en de kracht van het duo aan De Beauvoir. Dat is althans de stelling van haar jongste biografe Kate Kirkpatrick. De Beauvoir is altijd afgeschilderd als Sartre’s aanhangsel, betoogt ze, als zijn discipel, zijn muze, zijn imitator, degene die zijn werk vulgariseert, die zijn filosofie in haar romans aanschouwelijk maakt.

De Amerikaanse filosoof Kirkpatrick illustreert haar stelling met een groot aantal krantenkoppen en artikelen: in 1947 bijvoorbeeld betitelde The New Yorker haar als ‘Sartre’s female intellectual counterpart’ en ‘the prettiest Existentialist you ever saw’. Je kunt je afvragen of Kirkpatricks stelling ook nu nog geldt: beschouwen we De Beauvoir (1908-1986) nog steeds louter als bijrijder van Sartre (1905-1980)? Is haar eigen werk inmiddels niet erkend los van het werk van haar levenspartner?

De tweede sekse geldt als de basistekst van het feminisme, haar strijd voor de zaak van de vrouw (stemrecht, abortus, financiële onafhankelijkheid) staat op háár lijstje trofeeën en aan een van de interessantste briefwisselingen uit die tijd, die met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren, had Sartre part noch deel.

Toch is Kirkpatricks uitgangspunt prikkelend omdat ze daardoor de nadruk legt op De Beauvoirs autonome houding, die sterke wil om haar eigen pad te bepalen. Het gaat haar om het wordingsproces, om ‘becoming’ De Beauvoir. Zo gaat Kirkpatrick in de eerste hoofdstukken in op Beauvoirs leven en werk voordat ze Sartre ontmoette. In haar dagboeken beschrijft ze hoe ze wil dat haar leven eruit zal zien: ‘Wees niet juffrouw de Beauvoir’, schrijft ze rond haar achttiende, ‘wees jezelf’. Ze spreekt zichzelf toe: ze moet niet louter de wil van haar omgeving volgen, zich geen sociaal wenselijke rol laten opdringen. Het is aan haar, en aan haar alleen om haar leven vorm te geven. Als briljante studente filosofie en klassieke talen stoort het haar dat filosofische discussies zo vaag blijven, dat ze de afstand tot het echte leven niet overbruggen: zou de literatuur die kloof kunnen dichten?

Kirkpatrick bespreekt De Beauvoirs worsteling met het geloof (als dochter van een gelovige moeder) en schrijft over de scheiding die ze als studente filosofie al vroeg aanbracht tussen ‘de wereld buiten’ (waarop ze geen invloed heeft) en ‘de wereld binnenin’ (die ze wil vormen). Ze bespreekt de mannen uit De Beauvoirs leven voordat Sartre opdook: haar vader, die haar vertelt dat liefde bestaat uit ‘geleverde diensten, affectie en dankbaarheid’; haar jeugdvriend Jacques die met haar wil trouwen; haar studiegenoot Maheu, die haar haar bijnaam ‘de bever’ geeft.

Het is steeds weer verbluffend te zien hoe jong De Beauvoir er al heel duidelijke ideeën over haar toekomst op na houdt: ze wil een leven van denken en schrijven. Ze wil een liefde die haar begeleidt, geen liefde die haar met huid en haar opslokt. Ze ziet een leven voor zich met verschillende mogelijkheden. Dat het leven onvoorziene wendingen in petto heeft, obstakels opwerpt, haar voor morele keuzes stelt – ze zal het allemaal een plaats geven in haar werk.

Polyamoureus pact

Al heel vroeg, benadrukt Kirkpatrick, ontwikkelt De Beauvoir eigen ideeën, die ze later met Sartre zou delen. Zo is er volgens haar geen sprake van een scheiding tussen filosofie en leven: elke stap in het leven is een filosofische keuze. Natuurlijk is het ‘polyamoureuze pact’ dat ze sluit met Sartre een belangrijk moment: ze zijn beiden elkaars belangrijkste, elkaars ‘noodzakelijke’ liefde, maar ze hebben wederzijdse toestemming voor andere relaties. Bijkomende eis is volledige openheid daarover. Maar vooral zijn ze elkaars volwaardige partners in het denken, elkaars beste en scherpste critici. Als De Beauvoir een tekst van Sartre niet goed vindt, publiceert hij het niet. En andersom. Na haar eerste filosofische essay Pyrrhus et Cinéas (1944), publiceert De Beauvoir twee jaar later Pour une morale de l’ambiguïté (Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid), een kritische reactie op L’être et le néant (Het zijn en het niet) van Sartre.

Kirkpatrick kon, anders dan eerdere biografen, putten uit alle publicaties die sinds de dood van Sartre en De Beauvoir zijn verschenen. Ze laat zien wat De Beauvoir in haar autobiografische werk heeft weggelaten en probeert te duiden waarom. Ze citeert uit haar dagboeken en memoires, uit haar correspondentie met Sartre, met Jacques-Laurent Bost (een van haar ‘contingente liefdes’), met haar Amerikaanse minnaar Nelson Algren en met de Franse filmmaker Claude Lanzmann, met wie ze zeven jaar samenwoonde.

Lees ook: De feministische boeken die nu bij het vuilnis staan

Met de informatie van nu analyseert Kirkpatrick ook de onoverzichtelijke kluwen verborgen seksuele relaties waarin De Beauvoir en Sartre rond 1940 verwikkeld waren. De Beauvoirs eerste romans, L’invitée (1943, vertaald als Uitgenodigd) en Le sang des autres (1945, Bloed van anderen) zijn er de echo van. Toen dat alles na hun dood bij een groter publiek bekend werd, werd er verontwaardigd op gereageerd. Moreel gezien kun je er, in het tijdperk van #MeToo en ongewenste machtsrelaties in seksualiteit, zeker vragen bij stellen.

Kirkpatrick laat zien hoe De Beauvoir in de loop der tijd besefte dat er morele haken en ogen zaten aan hun pact. De vrijheid die ze elkaar gaven was niet zonder consequenties voor anderen. Dat inzicht kreeg een weerslag in haar filosofische werk, ze gaf het existentialisme een ethische dimensie: persoonlijke vrijheid impliceert rekening houden met anderen.

Wie nu De Beauvoirs oeuvre bekijkt en Kirkpatricks biografie leest, wordt opnieuw getroffen door haar vastberadenheid om alles uit het leven te halen, de paradoxen in haar karakter, haar energie – alles in dienst van haar schrijverschap. Zoals alle sterke vrouwen die hun nek uitsteken, nieuwe denkbeelden verdedigen, wordt ze bejubeld, verguisd, bespot. De Beauvoirs leven en werk worden in iedere tijd weer anders geïnterpreteerd. Hoewel Kirkpatrick relatief weinig aandacht schenkt aan De Beauvoirs filosofische werk en meer aan haar leven, met én zonder Sartre, laat ze mooi zien hoe, in haar visie, Simone de Beauvoir ‘zichzelf’ werd – met alle ambiguïteit die erbij hoort.