Reportage

Kunstlessen voor wie kunst niet vanzelfsprekend is

Kunstschool Kinderen met een bi-culturele achtergrond gaan zelden naar de kunstacademie, zag Laura van Eeden. Ze richtte een kunstschool op in de Schilderswijk in Den Haag.

Foto David van Dam

‘Vorige week heb ik iets geschilderd met héél veel diepte”, zegt Ibrahim (10). Zijn kunstwerk hangt bij de ingang van Art-S-Cool, een kunstschool in de Schilderswijk in Den Haag. Ibrahim woont in de wijk. Hij is de een-na-jongste in een gezin met vijf kinderen. „Als inspiratie had de juffrouw foto’s van kunstwerken laten zien. Op eentje stond een cirkel die steeds gevuld werd met een kleinere cirkel. Dat gaf diepte, joh. Ik heb het nagemaakt met verf.”

Art-S-Cool bestaat nu bijna tien jaar. Elke dag na schooltijd zijn hier kunstlessen voor kinderen van 5 tot 14 jaar. Ze leren dieren maken van klei, gaas en gips. Abstract tekenen, zelfportretten schilderen, voorwerpen maken van afvalmateriaal. Allemaal gratis met een Ooievaarspas, een pas voor mensen in Den Haag die niet veel te besteden hebben, of met een bibliotheekpas.

Art-S-Cool is opgezet door Laura van Eeden (49). Ze had een atelier in Transvaal, bij de Schilderswijk, en gaf daar in het buurthuis kunstlessen aan kinderen, de meesten met een bi-culturele achtergrond. Daar viel het haar op dat deze kinderen niet doorstromen naar de kunstacademie. Dat vindt ze een gemis voor de kunstwereld. „Juist met hun achtergrond is er veel te vertellen.” Ze zette een talentontwikkelingstraject op en ging met twaalf kinderen (uit groep 7 en 8) naar tentoonstellingen en musea, nodigde gastkunstenaars uit en organiseerde voor de ouders een expositie met werken van de kinderen.

Van Eeden zag een diversiteit aan kunstvormen en ook aan opvattingen over wat kunst is en hoe je het toepast. „Kalligrafie en mozaïek bijvoorbeeld is toegepaste kunst. Kunst om de kunst, een schilderij om het schilderij, is niet bekend in alle culturen.” Tegelijkertijd zag ze bij de kinderen wel „een honger naar dingen maken, met materialen bezig zijn, fantaseren over vormen”. Ze maakte een plan voor een kunstschool midden in de wijk. Er kwam een stichting met een bestuur, per project kreeg ze subsidie.

Foto David van Dam
Foto David van Dam
Foto David van Dam
Foto’s David van Dam

Nu, bijna tien jaar later, verzorgt Art-S-Cool de kunstlessen op veertien basisscholen in Den Haag. En na school zijn er dus lessen hier in het gebouw van Art-S-Cool, midden in de Schilderswijk, gegeven door kunstenaars. Per week komen vijfhonderd basisschoolkinderen naar hun lessen, in 2018 waren er meer dan drieduizend unieke deelnemers. Intussen is de subsidie die de school krijgt structureler: het initiatief is in 2017 opgenomen in het Kunstplan Den Haag; Van Eeden kreeg de afgelopen vier jaar financiële steun van de gemeente. De aanvraag voor de komende vier jaar ligt bij de gemeente.

Alle kinderen die meedoen aan de naschoolse kunstlessen hebben een bi-culturele achtergrond; velen zijn Turks en Marokkaans, maar ook Surinaams, Indiaas, Pools en Colombiaans. Ze kennen Art-S-Cool omdat ze in de wijk wonen, of door de lessen op school. Er zijn ook veel enthousiaste ouders, zegt Van Eeden, „ambassadeurs die andere kinderen optrommelen”.

Van Eeden weet niet precies hoe de thuissituatie van de leerlingen is, „maar een groot deel doet mee met de Ooievaarspas en dat betekent dat de ouders een laag inkomen hebben”. De kinderen komen één of meerdere middagen per week. Ze vinden het heerlijk om hier te zijn, zeggen ze, want thuis mogen ze niet vies worden, hebben ze de materialen niet of is er te weinig ruimte.

Assembleren

In het grote, lichte lokaal zijn drie jongens en vier meiden (10 tot 12 jaar) in de weer met piepschuim, karton, tape, verf, kwasten, plastic en touw. Vandaag gaan ze assembleren, zegt docent en beeldend kunstenaar Ellen Rodenberg (64). Voor deze les keken ze naar het werk van David Bade, op YouTube en Instagram. „Meestal heb je eerst een idee in je hoofd en ga je dat uitvoeren”, zegt Rodenberg. „Vandaag is de opdracht: begin met materiaal dat je hebt gevonden of dat hier in het lokaal ligt en bedenk: wat heb ik hier? Wat zou het kúnnen zijn?”

Ibrahim maakt een automatische camera, zegt hij. Met een body, een accu en een draaischijf waardoor het ding automatisch gaat filmen. Hij probeert een gevonden cd te monteren op houten prikkers. Luca (12) maakt een ufo van karton en tape. Alisan (11) een paar supersonische schoenen, gemaakt van piepschuim en papier. Ze doen Rodenberg denken aan werk van de surrealisten, zegt ze tegen hem. „Die maakten met attributen en assemblage iets wat niet bestond. Ze bedachten dan wel wat het zou kunnen zijn. Wat zouden deze schoenen van jou kunnen?”

De jongen wil er even over nadenken.

Foto David van Dam

Rodenberg stelt de leerlingen continu vragen. Pak eens een ander stuk materiaal, kun je het vervormen? Waar past het? Kun je nog verder denken? Het is haar manier om te zorgen dat ze niet vastlopen, zegt ze, dat ze vrij associëren op wat ze maken.

Rodenberg heeft een app-groep met de ouders van de kinderen. Een paar dagen voor de les stuurt ze inspiratiefoto’s en -video’s en vraagt de ouders om hier samen met hun kind naar te kijken. „Dat doen ze, dat hoor ik van de kinderen in de les. Sommigen hebben de kunstenaar opgezocht en al een idee over wat ze willen maken.” De meeste ouders spreken goed Nederlands, zegt ze, met een enkeling is er een taalbarrière.

In het lokaal heeft een van de meisjes een hoofd van tape en karton gemaakt. „Moet er nog iets bij?”, vraagt Rodenberg. Nee. „Is het een portret?” Ja. „Zullen we hem dan op een sokkel of een buis monteren? Dan kunnen we het mooi presenteren. Het moet wel stevig zijn, daar moet jij iets op bedenken.” Onderzoek is belangrijk, vertelt ze. De kinderen moeten zelf de mogelijkheden bedenken en testen.

Films en games

Met haar lessen probeert Rodenberg aan te sluiten bij hun belevingswereld. „Ik luister naar wat ze vertellen, naar waar ze mee spelen, welke games ze leuk vinden en welke filmpjes ze kijken. Daaruit leid ik af waarin ze geïnteresseerd zijn.” Ze vraagt ook naar de associaties die ze hebben bij het kijken naar kunst en hun eigen werk. Wat ben je aan het doen, wat zie je? Dat helpt de kinderen in hun eigen maakproces. Bijvoorbeeld als ze gaan perspectieftekenen: zie je een spannend verhaal voor je? Als je een game speelt, welke ruimtes zie je dan? En welke emoties heb je; is het griezelig, of spannend? „Dan komt het los in hun hoofd. En dan kunnen ze tekenen.”

Foto David van Dam

Rodenberg doet dit werk „om mijn wereld en die van de kinderen te vergroten. „Ik inspireer hen, en zij mij”, zegt ze. Buiten deze school komen de meeste kinderen weinig in aanraking met kunst. Zij leert de kinderen hun eigen wereld vormgeven en uitdrukken. „Ik help ze met technieken aanleren, laat ze reflecteren op hun eigen werk en laat ze verder vrij in het maken van autonome keuzes. Soms zie ik dat ze tijdens het maken alles vergeten, van hun telefoons tot de tijd.”

Kunst wordt in gezinnen uit de aandachtswijk misschien niet altijd gezien als volwaardige vrijetijdsbesteding, laat staan als beroep, maar de ouders komen aan het eind van elk blok allemaal wel naar de expositie van de kinderen. En vaak niet alleen de ouders, zegt Van Eeden. Alisan, van de supersonische schoenen, had de laatste keer een hele delegatie bij zich: zijn ouders, opa, oma, broertje, zusje en een oom.

Op de vraag wat ze later willen worden, zeggen de kinderen: architect, juf, dokter, ontwerper, het leger in. Geen beeldend kunstenaar? „Zo ver zijn we nog niet”, zegt Van Eeden. „Het gaat in gezinnen met een lager inkomen nog altijd om beroepen waarin je met meer zekerheid geld kunt verdienen.”