Opinie

Rondje

Marcel van Roosmalen

Ik wandelde mijn dagelijkse rondje door het dorp. Wandelen is misschien niet het goede woord, mijn loopjes beginnen steeds meer op inspectietochten te lijken. De apotheek tegenover ons huis heeft een tent voor de deur. Een werkstudent uit de stad moet de denkbeeldige drukte regelen.

Bij de slijter is het nog vooroorlogs.

De eigenaresse – zelf een risicogroeper – hangt kromgebogen boven haar toonbank, süchtig naar het laatste dorpsnieuws. Ze vaart blind op de mening van Leon de Winter, vaste klant bij Business Class.

Bij de Kruidvat hebben ze de schepdrop uit het assortiment gehaald.

De jongen met de jeugdpuistjes deelt bij de deur mandjes uit. Hij draagt zwarte handschoenen en zegt dat het in de winkel eenrichtingsverkeer is. Achter de kassa zit zijn collega achter een enorm stuk plexiglas, ze waarschuwt dat ze geen producten meer aanraakt.

Eng idee dat me zomaar bekruipt: dat aan het eind vooral Kruidvat-medewerkers als termieten onder het puin vandaan komen gekropen. Dan beginnen we gewoon weer in de vorige eeuw, dan krijgen we daarna nog twee wereldoorlogen.

Ik leg het pakje nicotine-zuigtabletten in de cirkel, zij scant het, ik betaal contactloos. De jongen met de jeugdpuistjes vraagt of ik het mandje in het vierkant wil zetten, dan kan hij het ontsmetten.

Op de stoep voor een rijtjeshuis, net voorbij de beschuitmolen, hebben kinderen een boodschap gekrijt: ‘Wij houden van jou en missen jou, oma!’

Bij de aardige groenteboer in het winkelcentrumpje, hij heet toevallig ook Marcel, zijn de rolluiken naar beneden. De slager ertegenover heeft met vlaggetjes een afzetting voor zijn toonbank gemaakt en zegt dat ze in quarantaine zitten, omdat de vrouw van de groenteboer verkouden is.

„Niemand wil nu een groenteboer met een niezende vrouw thuis tegenover zijn slagerij.”

Bij de Vomar een wirwar van pijlen en vakantiewerkers met hygiënische doekjes. Een van de bedrijfsleiders zegt: „De mensen hamsteren hier stiekem. Ze komen vaker en doen dan elke keer net iets te veel in de kar, maar keren zich in gesprekken wel tegen hamsteraars.”

Bij het afrekenen weer die vrouw die al onze schrijfsels in de gaten houdt en die het liefst wil dat we met haar papier gaan prikken in het vogelgebied. Normaliter staat ze meteen in je persoonlijke ruimte, nu moet het heerlijk vanaf anderhalve meter.

Zij: „Leeft uw moeder nog?”

Ik: „Ja hoor.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.