Opinie

Die bijna gretige gehoorzaamheid van nu is onrustbarend

Survival Hoe overleeft een vrijheidslievend mens alle beperkingen van de corona-epidemie? Arjen van Veelen vlucht naar buiten en beproeft preppen in Nederland. „Vergeleken bij het gewone leven is de wildernis nu wellness.”

De kampeerplek in het havengebied.
De kampeerplek in het havengebied. Foto Arjen van Veelen

Stel dat je niet anderhalve meter, maar minstens anderhalve kilometer afstand wilt bewaren van je medemensen, waar kun je dan heen in ons land? De Maasvlakte, dacht ik. Daar vind je kilometers zand en industrie. Er woont letterlijk geen mens op deze afgelegen steppe, alleen wat scholeksters en wormen. Dit is het dunstbevolkte stukje Nederland, de rand van de beschaving. Een perfecte plek om het een poosje uit te zingen tijdens de plaag.

Dus zit ik nu tussen de braamstruiken op een heuvel met uitzicht op zee. Boven mijn hoofd zoeven windturbines. Ik heb schrammen op mijn neus en een doorn in mijn handpalm. De zon is ondergegaan. Vannacht zal het hier afkoelen tot tegen het vriespunt en een tent heb ik niet bij me, alleen een stuk plastic en wat touw.

Ik buig voorover als een gelovige en blaas tegen de twijgjes in het houtbrandertje. Ze gloeien wat op maar lijken te vochtig om vlam te vatten.

„En”, vraagt mijn metgezel als hij me ziet hannessen met de takjes, „denk je dat je dit vaker gaat doen, kamperen in een braamstruik?”

Twee maanden eerder, in een ander tijdsgewricht, werd ik veertig. De vriend met wie ik nu een bivak heb opgeslagen deed me toen een aluminium trommel cadeau, vol spulletjes om de apocalyps te overleven. Paracetamol, ducttape, mesje, touw, minizaklamp, reddingsdeken, spijker, ragfijn ijzerdraad. Geen prullaria; alleen vitale dingen. Er zat zelfs een rietje met filter in, waarmee ik gezuiverd water kon opslurpen uit een regenplas.

‘Doomsday Doos’, had hij op de trommel geschreven. ‘Niet voor kinderen onder de veertig.’

Grappig, vond ik wel.

De ‘Doomsday Doos’ die Arjen van Veelen voor zijn verjaardag kreeg. Foto Arjen van Veelen

De vriend was een beginnende prepper. Zo heten de mensen die zich voorbereiden op het einde der tijden (van to prepare – voorbereiden). Hij keek bijvoorbeeld YouTube-filmpjes over hoe je van een stuk plastic – een tarp, in jargon – een tentje kunt origamiën. Hij deed onderzoek naar wapens, zoals kruisbogen of rambomessen. En hij had al een bug out bag samengesteld: een rugtas vol overlevingsspullen die hij had klaarstaan voor het geval dat.

Ik heb hem hoog zitten. Hij is goed in inkopen doen – misschien wel de belangrijkste vaardigheid in het moderne leven. Hij bezit bitcoins uit de tijd dat ze net bestonden. Hij hamsterde als het ware al lang voordat wij allemaal dat deden, maar dan intelligent, geen hooibergen aan pleepapier.

Toen kwam het virus. Er doken paniekgrafieken op en filmpjes van mensen die in gangpaden van supermarkten knokten om dubbellaags toiletpapier. De pleuris was uitgebroken, of zoals preppers zeggen: TEOTWAWKI. The End Of The World As We Know It.

Daar was de vriend dus op voorbereid. Hij was alleen nog nooit het bos ingegaan om zijn uitmonstering te testen.

Meestal was het hem nét iets te koud.

Maar na een week thuizitten appte hij: ik wil binnenkort gaan oefenen, het bos in. Ga je mee?

We belegden een vergadering op een pleintje, anderhalf meter afstand in acht nemend. Dit was enerzijds hét moment om in de wildernis te verdwijnen, vonden we allebei, en anderzijds totaal niet het moment. Straks zat je in het bos net wanneer er een lockdown werd afgekondigd. Het voelde ook een beetje als deserteren van je dierbaren. En wat als je je been brak?

Ik bekeek het weerbericht. Nachtvorst voorspeld.

Maar we hadden één hele goede reden om te gaan: de wildernis leek sinds een week opeens een stuk aanlokkelijker nu het gewone leven overleven was geworden.

Het leven is inmiddels een wrede computergame waar je deurklinken en tegenliggers moet ontwijken op straffe van hoest. Enge joggers hijgen in je nek terwijl ze met verbeten trekken trainen voor de coopertest des levens. Thuis schrik je op van elk kuchje en was je je handen schraal. Kalmte wordt schaars.

Het erge is dat deze plaag je hoofd hackt, dat-ie je hersens aanvreet nog voordat-ie in je longen kruipt. Ook ik heb in allerijl extra wc-papier gehaald. En ik ben niet de enige die van slag is. Nu de straten vol melaatsen zijn, blijken ook in ons land dictatoriale maatregelen in trek als handgel.

Best onrustbarend is die bijna gretige gehoorzaamheid waarmee we in onze kooien zijn gestapt, vanwaaruit velen de leider smeken om nog zwaardere hangsloten terwijl ze kwaad spreken over die paar individuen die nog vrij rondlopen.

Je krijgt het er Spaans benauwd van. Hoe overleeft een vrijheidslievend mens zo’n epidemie? Met de prepper-ideologie, misschien. Die is per slot van rekening geënt op Amerikaanse waarden als individualisme, zelfredzaamheid en diep wantrouwen jegens de massa.

Tentje op een dijk vol dichte braamstruiken. Foto Arjen van Veelen

„Laten we het bos in gaan”, zei ik tegen de vriend. Het was tijd voor een extreme vorm van social distancing. „Maar ik wil wel een beetje kunnen chillen. In elk geval wil ik niet ziek worden.”

Bij de legerdump kocht ik een muts, thermo-ondergoed en zo’n tarp. In de supermarkt haalde ik noodrantsoen. Op satellietbeelden van Google Maps had ik een lonkend bosje in het havengebied gezien.

Onderweg begon het te regenen.

„Ik maak me wel een beetje zorgen om je gear”, zei de vriend. Ik was een prepper van likmevestje.

Het plukje groen bleek een dijk vol dichte braamstruiken als prikkeldraad op de Atlantikwall. Van alle plekken om te bivakkeren had ik de meest stupide geselecteerd.

De vriend pakte zijn rambomes en baande zich een weg omhoog, waar wat jonge bomen waren. Ik volgde. Vol bloederige schrammen haalde ik de top. Sprokkelhout was er nauwelijks. De kou trok op. Ik flanste gauw een slordig tentje in elkaar waar zelfs een dronken zwerver zich voor zou generen.

Lees ook: Preppers zul je niet zien hamsteren

En daar zit ik nu. Dankbaar en opgelucht. Eindelijk weg uit de benauwende coronakooi. Deze takken hoef ik tenminste niet te ontsmetten. Vergeleken bij het gewone leven is de wildernis nu wellness.

Mijn vriend voelt zich extra opgelucht. Hij vertelt over zijn werk in de thuiszorg. Zijn klanten zijn vaak kwetsbare mensen. Alcoholisten, psyschiatrische patiënten. Veel eenzamen die behalve hem soms niemand spreken. Hij doet hun boodschappen, wurmt zich in goedkope supermarkten door smalle gangpaden waar mensen gewoon in je nek hoesten. Broeinesten.

Hij heeft al van alles meegemaakt, weet ik, zoals klanten die hem met honkbalknuppels te lijf gaan. Maar nu pas proef ik angst.

Hij heeft één mondkapje, zelf georganiseerd. Dat gebruikt hij steeds opnieuw. Hij ontsmet het thuis met een uv-lamp. Hij weet niet eens of het werkt, maar het werkt in ieder geval tegen de spoken in zijn hoofd.

Hij vreest dat hij als engel des doods iedereen zal besmetten. En hij vreest ook wel voor zichzelf. Maar hij moet doorwerken, ook als hij zich ziekjes zou voelen. Zijn werkgever geeft geen beschermende spullen, red je zelf maar aan het front, ieder voor zich.

Zijn werk noemt hij nu de warzone.

Zulke hardheid doet me denken aan de VS, waar ik een poosje heb gewoond. Daar heb je geen vangnet, daar ben je echt alles kwijt na een orkaan of overstroming.

Of gewoon als je je been breekt of je baan verliest.

De schellen vallen je van de ogen als je merkt hoe hol de voorraadkast van vadertje staat is

Niet voor niets ligt de bakermat van het preppen in de VS. Je kan over die preppercultuur veel zeggen. Bijvoorbeeld dat er veel rechtse rakkers bij zitten die automatische wapens opstapelen in afwachting van een burgeroorlog. Of hypermasculiene paleotypes die het liefst op een mammoetbot zouden knagen.

Maar dit is de essentie van de prepper-filosofie: wantrouw de staat, want die komt je echt niet redden, zorg dus voor je zelf, je gezin en je buren. In een land zonder vangnet is oefenen in zelfredzaamheid heel rationeel gedrag.

De twijgjes hebben vlam gevat met behulp van wat kaarsvet. Foto Arjen van Veelen

In Nederland hoeft dat niet, dacht ik tot voor kort. Vaag staat me iets bij van de overheidscampagne ‘Wees voorbereid’: dat je zo’n geel noodpakket in huis moest hebben met een radio, waxinelichtjes en – jawel – wc-papier. Je moest jezelf kunnen redden, was de boodschap. Dat was geloof ik vlak voordat de participatiesamenleving werd afgekondigd, misschien is er een verband tussen die twee. Maar verder leek preppen vooral een goede grap. Hier hadden we de verzorgingsstaat, hier hadden we experts.

In die zekerheid zitten nu barsten. Het is bijvoorbeeld werkelijk ontluisterend om de tweets terug te lezen die het RIVM nog vorige maand de wereld in stuurde. Over dat covid-19 gewoon een griepje leek, geen zorgen hoor.

En de schellen vallen je van de ogen als je merkt hoe hol de voorraadkast van vadertje staat is. Te weinig testkits, te weinig beademingsapparaten, zelfs mondkapjes zijn er te weinig. En we kunnen ze nauwelijks zelf fabrieken.

We zijn geen zelfredzaam land.

Wildkamperen raad ik af, het mag niet en het is koud. Sowieso moeten we voorlopig allemaal in ons hok.

Na de crisis zal één van de conclusies zijn dat we opnieuw moeten leren kopen. We zullen moeten winkelen alsof we revalideren. Daarvoor beveel ik iedereen de preppersmentaliteit aan. Koop alsof je een rugtas vult waar je leven vanaf hangt. Geen rommel. En vertrouw niet op een grote lieve reddingshelikopter, leer zelf boontjes doppen.

Of leer in elk geval een fikkie stoken.

De twijgjes hebben vlam gevat met behulp van wat kaarsvet uit mijn blik. We warmen onze handen. Als we de nacht overleven kunnen we straks alles aan.

In het duister gloeien reuzenschepen voorbij, af en aan gaan ze vol chemicaliën en kolen, sojabonen, koffie en kobalt, containers vol met leuke spullen. We zullen voorlopig niets tekortkomen, we bivakkeren naast de grootste hamsterplaats van Europa. En tegelijk behoef ik nu weinig anders dan dit: een vuurtje en wat sterren die ik nog wil leren lezen.

Of nu ja, de vriend heeft biefstuk meegenomen en er is wodka en wiet. Dat komt vast ook allemaal van pas om de zorgen even te vergeten, net als de M&M’s, denk ik.

Tot ik de wodka inschenk. Die smaakt naar handgel.

Lees ook: Verdwijnt het virus vanzelf als het warmer wordt? En 34 andere vragen over het coronavirus