Opinie

Ondanks de pest zet de elite haar vrolijke leventje voort

Michel Krielaars

De corona-epidemie dwingt je om zowel in de boekhandel (voor zover die nog open is) als in je eigen bibliotheek op zoek te gaan naar de troost van de schoonheid. Meestal beland je dan bij de wereldliteratuur, omdat grote schrijvers je nu eenmaal laten zien dat het in het leven vooral draait om het memento mori, het gedenk te sterven. De melancholie die je daarover kunt hebben is volgens mij de kern van het aardse bestaan.

Alleen daarom al vind ik het een briljant idee van regisseur Ivo van Hove om zijn ITA-ensemble honderd dagen lang online een verhaal uit Boccaccio’s Decamerone te laten voordragen. Want als je ergens die combinatie van melancholie, schoonheid en vertroosting tegenkomt dan is het in dat verbijsterend lichte, vermakelijke boek over Florence tijdens de pestepidemie van 1348. Het leest alsof het gisteren geschreven is en staat vol waarnemingen die zo op ons huidige bestaan van toepassing kunnen zijn. Zoals Boccaccio’s opmerking over de hoogmoed van de Florentijnse elite, die ondanks de pest haar vrolijke leventje voortzet: ‘Wat beelden we ons in? Waarom zijn wij, als het om onze gezondheid gaat, trager en lakser dan onze medeburgers?’

Sinds maandag zet Van Hove je op de website van zijn gezelschap met de monologen van zijn acteurs aan om de briljante Decamerone-vertaling van Frans Denissen zelf te gaan lezen. Pak Barbara Tuchmans A distant mirror (vert. De waanzinnige veertiende eeuw) erbij en je beseft dat vergeleken bij de pest corona een kinderziekte is.

Ramsey Nasr was online als eerste aan de beurt. Hij las het tweede verhaal van de zevende dag voor, dat over de mooie Peronella gaat, die haar minnaar in een wijnvat verbergt als haar man, een arme metselaar, met een mogelijke koper van dat vat thuiskomt. Nasr deed het geniaal en imiteerde de stemmetjes van de personages, waardoor het kluchtige van de vertelling werd versterkt.

Boccaccio biedt troost, omdat het menselijk is „begaan te zijn met het lot van de bedroefden”, zoals minister van Cultuur Ingrid van Engelshoven zaterdag in het VPRO-televisieprogramma Mondo bij wijze van aftrap voorlas uit Boccaccio’s ‘voorrede’. En om zoiets simpels gaat het.

Diezelfde eenvoudige kracht ontleen ik dezer dagen aan andere melancholieke schrijvers, zoals Lev Tolstoj (lees De dood van Ivan Iljitsj als je wilt weten wat eenzaam sterven is) en G. Tomasi de Lampedusa. Van die laatste herlas ik voor de zoveelste keer De tijgerkat, de roman die in de jaren zestig niemand wilde uitgeven omdat hij te ouderwets zou zijn. En alsof ik er door al die betreurenswaardige corona-doden gevoeliger voor was geworden, maakte het nog meer indruk.

In een paar regels van het op een na laatste hoofdstuk las ik iets wat me ongelooflijk raakte, zoals je dat alleen bij grote schrijvers als Lampedusa, Tolstoj en Boccaccio overkomt. Je zit dan aan het sterfbed van don Fabrizio. In zijn laatste ogenblikken vraagt hij zich af hoe lang hij nu écht geleefd heeft in zijn drieënzeventig jaar, om na enig gereken tot de slotsom te komen dat dit hooguit drie jaar is geweest. En dan lees je: ‘En het verdriet, de verveling, hoeveel jaren hadden die in beslag genomen? Hij hoefde zich niet te vermoeien om dat uit te rekenen. De hele rest: zeventig jaar.’

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.