Reportage

Japan gaat weer jagen op de dwergvinvis

Japan Walvisvlees hoort bij de Japanse cultuur, maar wordt al lang niet meer massaal gegeten. Toch hervat Japan in april de commerciële walvisvaart. Het land is de betutteling door westerse natuurbeschermers zat.

Japanse walvisvaarder in 2013, na bij Antarctica een walvis te hebben geslacht.
Japanse walvisvaarder in 2013, na bij Antarctica een walvis te hebben geslacht. Foto Tim Watters/EPA

De touwen waarmee de buit aan land wordt gesleept hebben groeven in de betonnen helling gesleten. Talloze zwarte dolfijnen hebben hier de afgelopen decennia hun laatste meters afgelegd, tot ze in de verderop gelegen loods ten prooi vielen aan de messen van Nobuyuki Ito. Zwarte dolfijnen zijn reusachtige beesten – tot twaalf meter lang en goed voor tonnen aan vlees – maar ze zijn niet het echte werk. Dat is de dwergvinvis.

Het is al meer dan dertig jaar geleden dat walvisvaarder Ito (57) hier in Ayukawa, een kleine gemeenschap in het noordoosten van het Japanse eiland Honshu, een dwergvinvis heeft gelost. In april komt daar verandering in. „Dan komt mijn bedrijf weer tot leven”, zegt hij, staande naast een decoratieve harpoen op een sokkel. Dan begint het eerste officiële vangstseizoen sinds Japan, ruim een jaar geleden, besloot om de commerciële walvisvaart te hervatten.

Over de hervatting van de walvisjacht: Eten van walvis is Japanse cultuur

Concreet betekent het dat Japanse vissers in beperkte mate walvissoorten mogen vangen die volgens internationale afspraken beschermd moeten worden. Japan brak in december 2018 met de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC), het overlegorgaan waarin staten sinds 1946 die afspraken maken. Dit tot woede en verdriet van natuurbeschermingsorganisaties, die niet alleen tegen het doden van de dieren zijn, maar die ook de harpoendood wreed vinden. Afgelopen zomer was er ook al een kort commercieel seizoen, maar toen moest Ito van de overheid nog met andere walvisvaarders samenwerken.

Eten met gember en sojasaus

De dwergvinvis heeft Ayukawa gemaakt. Het vissersplaatsje ligt afgelegen, op een schiereiland met bergen en naaldbossen, waar arenden boven de boomtoppen zweven. Nu wonen er 2.400 mensen, maar in de hoogtijdagen van de walvisvaart in de jaren zestig waren dat er 14.000. Er waren hotels, danszalen en cabaretvoorstellingen. Na het wereldwijde verbod op de commerciële vangst in 1986 kalfde dat snel af. Met de tsunami in 2011 verdween de levendigheid helemaal.

„Als kind kreeg ik elke dag dwergvinvis bij het ontbijt”, zegt Ito, directeur van Ayukawa Hogei (twee schepen, 23 werknemers). „Het was een onlosmakelijk deel van ons leven. Ik at het zó veel dat ik wel eens verlangde naar iets anders. Maar nu mis ik het. Zwarte dolfijn smaakt echt niet hetzelfde. Die is beter om te verwerken dan om rauw te eten.”

In zijn pakhuis laat hij zien hoe hij zwarte dolfijn inmaakt. Het vlees zit met water in grote blauwe kratten. Daarbovenop betonblokken om te zorgen dat het water goed in de huid trekt. De zwarte dolfijn valt niet onder regels van de ICW.

Japanners vangen al duizenden jaren walvissen en elke regio heeft zijn eigen culinaire specialiteit, weet Ito. „Van vinvis en Noordse vinvis kun je goed sushi maken, vooral de vette delen van rond de staart zijn geschikt, al zijn die heel duur. Dun snijden en eten met gember en sojasaus”, adviseert hij. In sommige streken houden ze van het gedroogde vlees. De gebakken hoofdhuid van de zwarte dolfijn gaat in Kansai met wat rettich in de stoofschotel. In bergachtige gebieden eten mensen de ingemaakte huid van de dwergvinvis. In het noordelijke Hokkaido doen ze die in de winter in de miso.

Walvisvlees hoort bij Japan, wil Ito maar zeggen. Zo denkt een meerderheid van de bevolking er ook over, blijkt uit opiniepeilingen. Iets meer dan 50 procent steunt het besluit van de conservatieve regering van Shinzo Abe om uit de IWC te stappen. Maar het consumptiegedrag van Japanners laat iets anders zien. In de jaren zestig, toen Japan bezig was met de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en walvisvlees een belangrijke eiwitbron was, werd er ruim 200.000 ton per jaar verkocht. In 2017 was dat nog maar 3.000 ton. De babyboomers hebben hun traditie niet doorgegeven aan de volgende generatie.

Het roept de vraag op waarom Japan dan toch bereid is zich de wrevel op de hals te halen van de – veelal westerse – staten binnen de IWC die vinden dat de commerciële jacht verboden moet blijven. Er zijn nog slechts driehonderd mensen actief in de Japanse walvisindustrie. Zij werkten tot voor kort vooral mee aan het veelbekritiseerde Japanse onderzoeksprogramma, waarvoor ook walvissen werden gedood. Dat programma is nu gestaakt.

Japanse vissers verwijderen in 2009 de huid van een walvis.

Foto Franck Robichon/EPA

Internationaal Gerechtshof

Japan is over het algemeen juist een voorvechter van internationale samenwerking. Dat moet ook wel, als liberale democratie met China en Rusland als grote, autocratische buurlanden. Abe maakte zich de laatste jaren sterk voor handelsverdragen met de landen rond de Grote Oceaan, met de Europese Unie en de Verenigde Staten. Hij pleit voor terughoudendheid in de machtsstrijd rond de Zuid-Chinese Zee. Bij de Verenigde Naties en andere internationale fora propageert hij de ‘op regels gestoelde wereldorde’, het principe dat overleg en internationale verdragen leidend moeten zijn in de verhoudingen tussen staten.

Als het om walvissen gaat, ligt dat iets anders. In 2014 won Australië een zaak tegen Japan bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. De resultaten van het wetenschappelijke programma stonden in geen verhouding tot het aantal dieren dat Japan ervoor doodde in de Zuidelijke IJszee, oordeelde het hof. Het verbood de jacht in die wateren, maar Japan zette het programma in afgeslankte vorm voort en bleef het vlees verkopen op de consumentenmarkt.

Het kwam daarna niet meer goed. In december 2018 besloot Japan, na herhaalde pogingen om binnen de IWC toestemming te krijgen voor beperkte vangst van enkele soorten, de organisatie te verlaten. Volgens Japan was dat nodig omdat ándere landen de doelstellingen van de oprichters hadden losgelaten. „Het was gewoon een puinhoop”, zegt Hideki Moronuki van het Visserijagentschap.

De arrogantie van landen die ook varkensvlees en rundvlees eten moet stoppen

Joji Morishita hoogleraar Tokyo University of Marine Science and Technology

„De IWC heeft twee doelen: behoud van de populaties én duurzame ontwikkeling van de industrie”, legt Moronuki uit. „Helaas zijn walvissen op een bepaald moment charismatische dieren geworden en hebben westerse landen erop aangedrongen dat de IWC zich alleen nog op behoud richt. Maar het moet wel de Internationale Walvisvaartcommissie blijven, niet de Internationale Walviskijkcommissie.”

Leg die vraag voorzichtig voor aan Japanse functionarissen, of walvistochtjes voor toeristen niet lucratiever zijn dan de walvisvaart die nu met subsidie weer op gang wordt geholpen, en het antwoord is doorgaans fel: Het gaat niet om geld, dit is onze cultuur. Wij dringen onze mening ook niet op aan andere landen. Stop met dit eco-kolonialisme.

Lees over de Japanse walvisjacht ook: Japan hervat na 31 jaar de jacht op walvissen

Het Japanse standpunt heeft niet alleen met walvissen te maken, zegt Joji Morishita, hoogleraar aan de Tokyo University of Marine Science and Technology. „Dit draait om soevereiniteit. De arrogantie van landen die ook varkensvlees en rundvlees eten moet stoppen. Veel mensen vinden dat Japan het multilateralisme in de steek laat, maar het tegendeel is waar. Ik ben bij veel verzoeningspogingen betrokken geweest. Het mocht gewoon nooit baten.”

Een gevolg van Japans vertrek uit de IWC is dat het land het onderzoeksprogramma in de Zuidelijke IJszee heeft moeten staken en alleen nog in de eigen kustwateren kan jagen. Dat is winst voor natuurbeschermers, en ook walvisvaarder Ito ziet voordelen. Het vlees kan nu vers naar de markt, zegt hij, in plaats van diepgevroren. Omdat het moeilijk is om walvisvlees goed te ontdooien, levert vers vlees een veel betere prijs op. Op de beroemde Toyosu-vismarkt in Tokio kost het omgerekend zo’n 60 euro per kilo.

Dwergvinvisvlees op de Toyosu-vismarkt in Tokio begin dit jaar.
Foto’s Tanja Houwerzijl

Walvisvleesevenement

Ito heeft in Ayukawa alvast een winkeltje ingericht om straks zelf een deel van zijn vangst te verkopen. Nu heeft hij alleen diepvriesvlees liggen: dwergvinvis van het Japanse onderzoeksprogramma en vinvis uit IJsland, dat naast Noorwegen het enige andere land is met commerciële jacht. „Er werken hier bouwvakkers uit het hele land aan het herstel van de schade die de tsunami heeft aangericht. Zij nemen het vlees mee naar huis voor hun ouders.”

Om de belangstelling voor walvisvlees te vergroten heeft Ito in het najaar twintig koks uitgenodigd voor een workshop en daarna een walvisvleesevenement georganiseerd in de winkel- en uitgaanswijk Ginza in Tokio. Lokale overheden zijn van plan het vlees aan schoolkinderen voor te zetten tijdens de lunch.

Atsushi Ishii, specialist in milieubeleid aan de Tohoku Universiteit in Sendai, vindt de schoollunches een teken dat de vraag naar walvisvlees niet zomaar zal groeien. Japanners hebben geen groot verlangen naar meer walvisvlees, denkt hij. „Ze steunen dit besluit vooral vanuit een soort anti-anti-sentiment. Dus tégen de westerse landen omdat die tegen de Japanse walvisvaart zijn. Ik heb er wel moeite mee. Walvissen zwemmen door alle zeeën, ze zijn van iedereen, maar Japan besluit eigenstandig om ze te vangen.” Volgens hem schendt Japan nu het IWC-verdrag en is de jacht daarom illegaal. Ishii vermoedt dat de sector niet meer levensvatbaar blijkt te zijn als de walvisvaarders op eigen benen moeten gaan staan. „Dit is het begin van het einde.”

Ito verwacht dat hij dit seizoen een quotum van 45 tot 50 dwergvinvissen krijgt. Hij verheugt zich. Toen hij nog voor het onderzoeksprogramma voer, moest hij ervoor zorgen dat hij een representatieve steekproef van de populatie aan land haalde. Vanaf nu gaat hij voor de dikste exemplaren, die het meest opleveren. Hij hoopt dat zijn werk dit jaar niet te veel gehinderd zal worden door tyfoons. „Nu ik mijn eigen winst moet maken, zal ik alles op alles zetten om het hele quotum te vangen.”