Het land staat stil, maar de fabriek gaat stug door

Productiebedrijven Dagelijks gaan duizenden Nederlanders naar het werk om in bedrijfshallen dingen te máken. Zolang het geen autofabriek is, tenminste. En zolang het personeel zelf niet ziek is.

In honderden Nederlandse productiebedrijven wordt stug doorgewerkt. Zo ook in de fabriek van Auping in Deventer.
In honderden Nederlandse productiebedrijven wordt stug doorgewerkt. Zo ook in de fabriek van Auping in Deventer. Foto Eric Brinkhorst

Het kan best, bedden maken terwijl iedereen zoveel mogelijk thuis moet werken. Je moet alleen een beetje improviseren. In de fabriek van beddenbouwer Auping in Deventer zijn daarom markeringen op de vloer aangebracht die 1,5 meter afstand aangeven – ook bij de koffiemachines. Tussen werkplekken hangt folie, en misschien nog wel het belangrijkst: sommige ‘fabrieksstraten’ kennen nu eenrichtingsverkeer. „Zo hoeven we elkaar niet onnodig op korte afstand te passeren”, legt de woordvoerder uit.

De Nederlandse economie staat voor een groot deel stil. Voor minimaal 750.000 mensen is werktijdverkorting aangevraagd. Maar in honderden Nederlandse productiebedrijven wordt stug doorgewerkt. Van bakkerij tot Tata Steel: dagelijks komen nog grote groepen mensen samen om productielijnen te bedienen of machines in elkaar te schroeven. Wel zijn doorgaans extra beschermingsmaatregelen getroffen. Gezond personeel is belangrijk; werk is er vaak nog wel, mensen niet altijd.

Lees ook: Met zijn allen aan de rand van een economisch ravijn

Bedrijven kiezen er nu bijvoorbeeld voor ploegen niet met elkaar in aanraking te laten komen. Bij de wisseling ligt het werk daardoor tijdelijk stil. Veel kantines zijn dicht. Bij de ingang van de fabriek meten koortsscanners iemands temperatuur. Zo krijgen werkgevers de kans om ziek personeel dat tóch op komt dagen naar huis te sturen. Industrieconglomeraat VDL, producent van bussen tot containers, heeft rond de honderd van die scanners besteld. Ze worden de komende dagen over de verschillende fabrieken verspreid.

De Mars-fabriek richt de productie zo in dat ieder bij elkaar uit de buurt blijft

Aan opdrachten is vaak nog geen gebrek. Wie rondvraagt onder Nederlandse industriële bedrijven, merkt dat de orderstroom voorlopig niet is opgedroogd. De welbekende ‘goedgevulde orderportefeuille’ geeft veel machinebouwers en andere technologische specialisten – industrie waar Nederland relatief sterk in is – genoeg werk om door de eerste weken van de coronacrisis heen te komen. Als je per jaar maar enkele bloemsorteermachines bouwt, om maar een specialisme te noemen, dan ligt je werk niet in een keer stil.

Dat beeld bevestigt branchevereniging FME, in een brief die ze woensdag aan het kabinet richtte. Daarin stelt de organisatie dat het voor veel bedrijven in de sector belangrijk is dat ze ook over „zes tot acht” weken nog werktijdverkorting kunnen aanvragen.

ASML maakt dezer dagen dus gewoon chipmachines in Veldhoven. Machinebouwer Boessenkool in Almelo scant de vijftig werknemers op koorts, waarna ze aan de slag gaan. Een woordvoerder van lampenproducent Signify meldt dat de Nederlandse fabrieken in Maarheeze en Winterswijk draaien. „Er waren al veel orders voor.”

Na carnaval

De onzekerheid voor de fabrieken zit dezer dagen vooral in een andere hoek: het verzuim. Wie een snotterende neus heeft, moet van het RIVM thuisblijven. En als een huisgenoot koorts heeft, geldt dat advies sinds maandag ook. Het leidt tot een piek in wegblijvers, maar fabrieksmedewerkers kunnen nu eenmaal niet vanuit huis een machine bouwen. Dus gaat de productie trager.

Hoe groot het probleem is, wordt niet in detail gedeeld. „Het verzuim is blijven liggen op het niveau dat we normaal gesproken na carnaval zien”, aldus een woordvoerder van VDL. Het precieze percentage zegt hij niet te kunnen geven. Ook Signify meldt op dit moment de meeste zorgen te hebben over uitvallend personeel. „We werken in de fabrieken met minder mankracht.” De woordvoerder zegt ook hier geen precieze cijfers te kunnen delen.

Eten bezorgd op werkplek

De snoepfabriek van Mars in Veghel (circa 600 medewerkers), in het centrum van de Nederlandse Covid-19-uitbraak, geeft wel cijfers. Hier was de afgelopen dagen ruim een vijfde van het personeel niet in staat te werken, bevestigt commercieel directeur Roel Govers.

De fabriek is sinds woensdag een week dicht om de productie zo in te richten dat niemand meer bij een ander in de buurt komt – voor zover bekend uniek in Nederland. Dat moet nóg meer uitval van personeel voorkomen.

Govers: „We willen bijvoorbeeld dat mensen op de fabriek niet meer voor overleg naar een andere productielijn hoeven. Ook willen we kijken of ze hun eten bezorgd kunnen krijgen op hun werkplek. En misschien dat we iemand neerzetten die continu de trapleuningen schoonmaakt.”

We zijn allemaal aan het ontdekken hoe je dit moet doen, bedrijven zijn zoekende

Albert Kuiper FNV Groningen

Één specifieke sector heeft het op alle fronten een stuk lastiger – en kent daarom wél veel fabriekssluitingen. In de auto-industrie, zowel bij de autofabrikanten zelf als bij hun toeleveranciers, wordt de impact van de coronacrisis nadrukkelijk gevoeld. Grote Europese autobouwers als Volkswagen, BMW en Fiat-Chrysler houden niet van voorraden. Ze hebben nauwelijks onderdelen liggen, maar slaan ook weinig afgebouwde auto’s op. Vraaguitval van consumenten heeft dan direct consequenties voor de hele aanvoer- en productielijn. Toen vorige week bijna alle Europese autofabrieken bekendmaakten tijdelijk hun deuren te sluiten, vreesden experts al de gevolgen voor Nederlandse toeleveranciers.

Die worden nu zichtbaar. Geen auto’s maken betekent minder staal en aluminium gebruiken. Dus schroefden staalreus Tata en de Groningse aluminiumproducent Aldel hun productie terug. Ook niet nodig nu: banden. Apollo Vredestein (1.200 medewerkers), dat recent al aankondigde flink te moeten reorganiseren, doet de fabriek in Enschede voorlopig vrijwel volledig dicht.

En dan is er nog een handvol bedrijven die zelf voertuigen in Nederland maken. Zij kampen met vraaguitval, en ook met toeleveringsproblemen doordat aan steeds meer landsgrenzen vertraging ontstaat. Voor directeuren is de keuze dan snel gemaakt: werktijdverkorting aanvragen en de poort sluiten. Het leidde er al toe dat de enige personenwagenfabriek van Nederland, VDL Nedcar (5.000 medewerkers), moest sluiten, net als de bussentak van VDL. Hetzelfde geldt voor truckfabrikanten DAF en Scania.

Lees ook: de ene na de andere autofabriek valt stil
In het Gelderse Dieren is de historische fabriek van Gazelle inmiddels helemaal gesloten. Dit is voor zover bekend een van de weinige niet-autogerelateerde fabrieken waar de productie stilstaat door vraaguitval en onderdelentekorten. Foto Eric Brinkhorst

België strenger

De voertuigindustrie daargelaten, het aantal fabrieken in Nederland dat doorproduceert is nog opvallend hoog. Zeker als je het vergelijkt met België. Daar is ‘op locatie’ werken ook niet verboden, maar het gebod anderhalve meter afstand te houden lijken de Belgen strenger te handhaven. Zakenkrant De Tijd meldde vorige week op basis van de branchevereniging voor de industrie dat dit voor bijna de helft van de maakbedrijven tot sluiting heeft geleid. Meerdere ondernemingen, zoals staalproducent Aperam, zouden strengere richtlijnen voor de werkvloer ontwikkelen, zodat ze net als Mars in Veghel straks weer open kunnen gaan.

Af en toe krijgen Nederlandse vakbonden meldingen van werknemers die zich niet veilig voelen op de fabrieksvloer, zo vertellen bondsbestuurders. Toch lijkt hun situatie niet zo prangend als die onder cabinepersoneel in de luchtvaart of vakkenvullers bij supermarkten. Vakbonden uitten over deze specifieke beroepsgroepen al eerder zorg, juist omdat zij vrijwel permanent nauw contact met anderen hebben. In industriële sectoren is dat vaak minder. „Bij fabrieken zie je soms dat kleedruimtes onvoldoende ruimte bieden om goed afstand te houden”, zegt Albert Kuiper, FNV-bestuurder in Groningen. „Of dan komt er ineens een ploeg externen naar een scheepswerf om te lassen.”

Komt zo’n melding bij hem binnen, dan is contact opnemen met de directie vooralsnog het enige wat hij kan doen. „Je moet niet met het vingertje gaan wijzen. We zijn allemaal aan het ontdekken hoe je dit moet doen, bedrijven zijn zoekende. Je kunt beter meedenken en vertellen hoe andere bedrijven zoiets aanpakken.”