Opinie

Droogzwemmen

Ellen Deckwitz

Net als alle echt leuke mensen heb ik weleens emoties en nu ik in quarantaine zit, ga ik er iets meer onder gebukt dan normaal. De afgelopen week ontsnapte me toch wel een paar keer per dag een woede-oprisping, wat natuurlijk niet vreemd is in tijden van isolement. Er is momenteel te weinig afleiding van je hoofd en te veel aanleiding voor geknies: de onzekere toekomst, de kwetsbare gezondheid van mijn ouders, mijn pasgeboren achternichtje dat ik niet in mijn armen kan houden.

In mijn familie hebben de meesten een bovengemiddelde aanleg voor opvliegendheid en toen mijn eerste drambuien verschenen heb ik van mijn ouders (die voor de buitenwereld relaxter lijken dan een valeriaanstengel) meteen een heel pakket aan tips en trucs gekregen om de boel te kanaliseren. Eerst even voelen, zei mijn moeder altijd, even kijken waar het vandaan komt. Kan je er iets aan doen, doe er dan wat aan, en anders: schud het van je af. Dat laatste bedoelde ze letterlijk: door op en neer te springen of flink met je kont te draaien, kon je het leeuwendeel van je humeur wegcentrifugeren, en de endorfinen die vervolgens door je aderen raasden, doofden de rest. Wat voor de buitenwereld op een epileptische aanval leek, was voor de binnenwereld een balsem. Toen ik ouder werd, nam de woede toe waardoor even op je plek springen niet meer volstond, en uiteindelijk bleek drie keer per week zwemmen om het gemoed te koelen de beste preventie.

Maar nu zijn alle zwembaden gesloten en been ik meerdere keren per dag schuimbekkend door mijn woonkamer. Gisteren moest ik na het dertigste rondje opeens denken aan een kort verhaal van Miranda July, waarin ze bejaarden die nooit hebben leren zwemmen, zwemles geeft op haar woonkamervloer.

En dus gooide ik mezelf op de grond. Eerst tien baantjes schoolslag, dacht ik (wat even rekenen was, want uit hoeveel zwemslagen bestaat één baantje?). Na wat gehannes kreeg ik de smaak te pakken en hoewel ik het water miste, hielp het droogzwemmen de toorn te verdrijven. Ik raakte in een aangenaam ritme en zo heb ik gisteravond toch zeker anderhalf uur op de vloer doorgebracht, die ik na afloop ook niet meer hoefde te vegen.

Eenmaal in bed bedacht ik blij dat ik een nieuwe manier had gevonden om mijn chagrijn te verdrijven. Vanochtend bleek er op mijn heupbot een blaar te zitten (ik ben een buikzwemmer) ter grootte van een medaille. Een woedeconcentraat, overzichtelijk weggestopt onder mijn huid.

Tevreden stond ik op, klaar om te gaan werken aan mijn rugslag.

Tot ik alle drift in blaasjes heb opgesloten.

Tot eindelijk mijn vleugels doorkomen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.