Wat gebeurt er achter de deuren van een gesloten museum?

Gesloten musea In Delft wordt ondanks alles doorgewerkt aan de opbouw van de tentoonstelling ‘Zilver. Meesterstukken van Delftse zilversmeden 1590-1800’. „Het is toch wel echt treurig zo.”

De tentoonstelling Zilver. Meesterstukken van Delftse zilversmeden 1590-1800 in Museum Prinsenhof in Delft moet het voorlopig zonder publiek stellen.
De tentoonstelling Zilver. Meesterstukken van Delftse zilversmeden 1590-1800 in Museum Prinsenhof in Delft moet het voorlopig zonder publiek stellen. Foto Marco Zwinkels

Aan het Sint Agathaplein in Delft is de hoofdingang van Museum Prinsenhof gesloten. Het is dinsdagochtend, de vijfde dag al dat alle musea dicht zijn, en ruim een week voor de opening van Zilver. Meesterstukken van Delftse zilversmeden 1590-1800. Die tentoonstelling zou openen op donderdag 26 maart.

Wat gebeurt er achter de deuren van een gesloten museum? Wordt er nog gewerkt?

Voor een antwoord op die vraag hebben we contact gezocht – en bellen we nu aan bij de dienstingang om de hoek, waar de zware, donkergroene deur langzaam open zoemt. Via een halletje kom je in een kleine ontvangstkamer, op de vloer doet de zwart-witte betegeling denken aan een zeventiende-eeuws schilderij, in de hoek een brede houten trap die leidt naar de kantoren boven.

Bruidsuikermandje, jaarletter Y, 1776, Dirk van de Goorberg, Particuliere collectie. Foto Albertine Dijkema

Alles hier ademt oude tijden, Balthasar Gerards doodde Willem van Oranje in dit voormalige Sint-Agathaklooster. Nu legt Museum Prinsenhof zich ertoe op Willem van Oranje (de kogelgaten in de muur maken deel uit van de museumcollectie), Delfts blauw en Delftse meesters. Tot 16 februari, een maand geleden, was hier de tentoonstelling Pieter de Hooch in Delft, uit de schaduw van Vermeer. De Delftse meester (1629-1684) bezorgde Museum Prinsenhof een blockbuster: 90.000 bezoekers, nooit eerder werd een tentoonstelling zo goed bezocht.

Directeur Janelle Moerman wil eerst gezegd hebben: „Wat er nu gebeurt gaat ons en onze sector hard treffen. Maar onze problemen zijn ook relatief: wij zitten niet in de medische sector, waar het gaat over leven en dood. En voor mensen die ziek zijn, of zieke familie of vrienden hebben, is het allemaal vele malen erger.”

Straks gaan we kijken naar de opbouw van de tentoonstelling, waaraan ook vandaag nog wordt doorgewerkt. Eerst zitten we met z’n vieren aan een kantoortafel, op ruime afstand van elkaar: Janelle Moerman, Gabriëlle van der Voort, die hoofd marketing en development is, Nicole Delissen, hoofd collecties en presentaties, en de verslaggever. Gewoonlijk werken hier iets meer dan dertig mensen, en zeker op dinsdag is het druk: dat is de dag van de meetings. Al die mensen werken nu thuis, met een salaris dat doorloopt.

Dat geldt niet voor de freelancers, onder wie tien professionele rondleiders. Later die dag zal het kabinet met maatregelen voor zzp’ers komen, maar dat weten we nog niet wanneer we hier aan tafel zitten. Janelle Moerman: „Je kunt je afvragen of je als museum niet gewoon je verplichtingen na moet komen. Mensen kunnen er niks aan doen dat ze drie weken lang geen rondleidingen kunnen geven. En die hadden we wel met ze afgesproken.”

Cultureel ondernemen

Maar hoe dat zou moeten? Waar tien jaar geleden musea nog gegarandeerde inkomsten uit subsidie hadden, is dat intussen drastisch veranderd. Cultureel ondernemerschap werd de norm, waarna museumwinkels werden uitgebreid, museumcafés zijn geprofessionaliseerd en zalen worden verhuurd. Drie jaar geleden haalden de gezamenlijke musea voor het eerst de helft van hun inkomsten zelf binnen. Zonder bezoek, verkoop en verhuur valt diezelfde helft nu weg. Het is een nieuwe klus voor de thuiswerkers: scenario’s maken voor als het museum drie weken, zes weken of misschien zelfs nog langer dicht blijft. Met hoeveel vallen de inkomsten terug, wat betekent dat voor de uitgaven.

Ronde koeler voor glazen, jaarletter I, 1714, Cornelis van Dijck, Particuliere collectie. Foto Albertine Dijkema

Ook mist Museum Prinsenhof nu ‘het Keukenhofeffect’. Nicole Delissen: „Omdat buitenlandse toeristen tegenwoordig het hele jaar door komen, is dat effect in de grote steden minder belangrijk geworden. Maar het is er nog steeds, zeker in een stad als deze. Keukenhof, plús bezoek aan een historische binnenstad: zo worden die pakketten verkocht.”

Het is het moment dat de bezoekersstroom na de winter weer op gang komt, de planning van tentoonstellingen wordt erop afgestemd. Gabriëlle van der Voort: „We hebben altijd heel bewust eind maart, begin april een nieuwe tentoonstelling.” De online-campagne is nu stopgezet („mooie filmpjes voor op sociale media, die we niet nu al willen verspelen”), offline is het lastiger: de advertenties in kunstbladen zijn waarschijnlijk al gedrukt. „En die uitgaven kunnen we niet nog een keer doen.”

Wat ook speelt, zeggen ze: dat ze met het onderwerp van de nieuwe tentoonstelling, gebruiksvoorwerpen uit de bloeiperiode van de zilversmeedkunst, „gebruik wilden maken van het momentum”. Nicole Delissen: „Dankzij Pieter de Hooch hebben we onszelf op de kaart gezet als een interessante bestemming met mooie tentoonstellingen.” Janelle Moerman: „Maar we hebben ook geluk, hè. Voor die tentoonstelling hadden we bruiklenen uit de hele wereld. Wat zou daarmee zijn gebeurd als we die tentoonstelling nu hadden? En vanwege al die bruiklenen was verlengen ook onmogelijk geweest.”

Zilver duurt vijf maanden en moet nog beginnen: dat geeft meer respijt. Er is ook maar één zending van twee bruiklenen voor uitgesteld, „de rest was gelukkig al binnen”. Die afzegging was gisteren. Janelle Moerman: „Een Engelse. Ze vonden het onverantwoord om nog een koerier van het museum op pad te sturen.” Nóg een geluk: „Dat die bruiklenen niet het campagnebeeld zijn”, zegt Gabriëlle van der Voort.

Koeriers kijken toe

Maar waarom wordt er doorgebouwd aan een tentoonstelling die nog niet opent? Janelle Moerman: „Omdat je alles wat binnenkomt moet handelen. Je kunt niet zeggen: zet die kist maar neer. De inhoud wordt gecheckt, de koeriers kijken toe.” Wat ook niet kan: de vitrines weglaten die straks bij gebrek aan bruiklenen leeg zullen blijven. De tentoonstelling is opgebouwd met antieke pronkkasten, donkerblauw geverfd om het zilver beter uit te laten komen, en de vitrines staan er op stellingen onder, naast of tegenaan. Alles heeft zijn plek, overal hoort een verhaal bij. Vaak gaat dat verhaal over de sociale waarde van al dat zilverwerk: kostbare tafelstukken, toiletserviezen, drinkschalen.

Schotel en schenkkan, jaarletter T, 1630, Cornelis Adriaensz van Bleijswijck, diam. schotel 46,8 cm, hoogte kan 35 cm, Oud-Katholiek Kerkelijk Kunstbezit. Foto Albertine Dijkema

Die strakke opbouw zien we als we binnendoor het museum ingaan, waar in twee zalen zo’n tachtig zilveren gebruiksvoorwerpen in vitrines worden uitgestald: conversation pieces voor op de eettafel zoals nautilusbekers, het zilver kunstig gedrapeerd rond een grote schelp, theeserviezen met kraantjeskannen en bouilloires, bokalen voor de gezamenlijke dronk aan het begin van een feestelijke avond. Hier en daar ontbreekt een stuk, dat moet straks nog worden geplaatst. Op een van de stellingen ligt een foto van het bruikleen dat voorlopig niet zal komen, de glazen vitrine op de grond ernaast.

Kleine drinkschaal, jaarletter B, 1614, Kristyaen Krinssen van Borselen, hoogte 14,3 cm, Particuliere collectie. Foto Albertine Dijkema, Amersfoort

Gewoonlijk zou het hier nu een en al bedrijvigheid zijn, vandaag zijn alleen twee collectiebeheerders bezig, Mark Boers en Ron Stokhof. Er hangt een geur van ethanol, „met de ontsmetting zit het wel goed”, lacht die laatste vanachter een werktafel waarop hij stukjes melinex uitknipt: die komen onder alle zilveren voorwerpen, een maatregel om te voorkomen dat het zilver verkleurt. Ook dat werk moet gewoon af, ook als de tentoonstelling niet opent is het niet de bedoeling dat het zilver tussentijds wordt gepoetst. Voor dat poetsen hebben ze trouwens nog een speciale cursus gevolgd, „dat moet met fijn krijt”.

Toiletservies van de familie Van Slingelandt, jaarletter Z, 1705, Cornelis van Dijck, Collectie Six, Amsterdam Foto Albertine Dijkema

Terwijl we zo door de zalen lopen is het wel slikken, vinden ze. Janelle Moerman: „Het is toch wel echt treurig, zo. Anders waren we nu al veel verder geweest, dan hadden we alleen nog de allerlaatste dingen te doen gehad. De uitlichting bijvoorbeeld, want die is heel belangrijk: je wilt laten zien hoe fantastisch ze het indertijd vonden dat zilver zo schitterde en blonk.”

Ook wil de tentoonstelling laten zien dat zilver een kunstvorm was, „zilversmeden stonden in de zeventiende eeuw vaak in net zo’n hoog aanzien als kunstschilders”. Als je aan de achterkant langs de antieke pronkkasten met de vitrines loopt, kun je hier en daar door een sterk vergrotende, op ooghoogte aangebrachte loep de uitbundig geciseleerde vormen van een voorwerp bewonderen. Door één zo’n loep kijken we opeens naar een lege plek. Maar nee, het is niet een van de bruiklenen die niet meer komen. „Daar komt de kan van het toiletservies, die zetten we straks nog in de vitrine.”

Zilver. Meesterstukken van Delftse zilversmeden 1590-1800. Museum Prinsenhof Delft, t/m 23 augustus. Inl: prinsenhof-delft.nl