Opinie

Besmetting

Marcel van Roosmalen

Bij een van de zes bewoners in het verzorgingstehuis van mijn moeder is ‘het virus’ geconstateerd. De betreffende persoon zit in complete isolatie, wat waarschijnlijk betekent dat de deur op slot zit, want ze mochten de kamers toch al niet af. De verzorgers hebben alles onder controle, maar sommeerden de families in een schrijven wel om minder te bellen.

Nog minder, en ik belde al bijna nooit.

Alleen de aangewezen contactpersoon. En niet tijdens ‘de spits’, dus niet ’s morgens, ’s middags en ’s avonds.

Ik sprak haar als laatste, we wisten nog van niets, maar ze had het er al wel over dat ‘ze’, ze bedoelde haar verzorgers, eruitzagen alsof ze naar de maan gingen.

Beschermende kleding, denk ik nu.

Haar televisie was nog steeds niet aangesloten.

Ze miste alles, ons en RTL 4, en roemde haar verzorgers.

„De allerbeste zorg die je kunt wensen.”

Dan abrupt ophangen, verder geen mededelingen.

Ze kan niet vrijuit praten, wisten we.

„Zo doet ze altijd als er mensen bij staan”, zei ook mijn broer.

Mijn zus deelde in de appgroep ‘mama’ mee dat ze een simpel te bedienen smartphone heeft besteld, ze wil met de verzorgers een vast tijdstip afspreken om te skypen.

„Kunnen ze dat aan?”, vraag ik.

„Natuurlijk krijgt ze het”, zeg ik tegen mijn broer. „Die is allang besmet, hoor.”

Hij is ook niet optimistisch, het zal de opvoeding zijn.

Wij hebben haar weggedaan, schiet het door me heen, gewoon maar ergens heen gebracht. Naar een dorp in Limburg dat ik niet eens ken.

Ik begin tegen mijn zus over ons ouderlijk huis, waar het nog een ravage is.

„Zat ze nog maar daar”, zeg ik. „Lekker scharrelen.”

Ze zegt dat het daar echt niet meer ging, en dat ik dat ook wel weet.

We vinden het verschrikkelijk, terwijl er feitelijk nog niets verschrikkelijks aan de hand is. We blijven ons maar herhalen, dat we maar moeten wachten op die gemakkelijk te bedienen smartphone.

Ik ben bang voor een begrafenis zonder mensen, dat ons laatste gesprek ging over verzorgers die eruitzien alsof ze naar de maan gaan. Het voelt alsof we haar in een donkere kuil hebben geduwd. Ik sta aan de rand en roep af en toe zo hard als ik kan naar beneden of alles goed gaat.

Dan draai ik me om en loop terug naar mijn eigen leven.

Mijn jongste dochter is jarig, we eten taart, ik moet naar de radio, ik zit alleen in de trein, ik schrijf een stukje, ik denk aan haar als het mij uitkomt.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.