Opinie

Een brief is een indirecte knuffel

Ellen Deckwitz

Mijn ouders zijn 68 en 83 en stronteigenwijs en daarom bel ik ze meerdere keren per dag om te checken of ze nog wel braaf thuiszitten. „Ja”, nam mijn moeder vrijdagochtend vermoeid de huistelefoon op, „we zijn er. Buurman Jan fietst lekker het hele dorp door. Zíjn kinderen doen nergens moeilijk over.” Er klonk afgunst in haar stem.

„Wist je trouwens wat langzaam aan het opraken is in het dorp? Briefpapier”, vervolgde ze. „Buurman Jan heeft een penvriend in Oostenrijk („Günther”, riep mijn vader op de achtergrond, „die was van de zomer mee klootschieten”) en hij moest drie kantoorhandels langs voor hij eindelijk een nieuw pakje had. Je pa en ik zijn inmiddels ook flink veel brieven aan het schrijven.”

„Waarom? Je kan toch mailen?”

Mijn moeder liet wat lucht tussen haar tanden ontsnappen, wat ze altijd doet wanneer ik iets doms zeg.

„Het bijzondere van brieven is dat het een handeling is. Het neerpennen, het vouwen, het adresseren.”

„En een brief is bovendien een indirecte knuffel”, riep mijn vader.

„Hoezo?”

„Het is toch bijzonder als iemand de moeite neemt om iets tegen je te zeggen, daar speciaal papier en postzegels voor koopt en er dan ook nog eens mee naar de brievenbus gaat. Het is toewijding.”

Zaterdagmiddag viel er toewijding op mijn deurmat: een lange brief van mijn vader, waarin hij vertelde over de kippen, hoe hij de tuin onder handen heeft genomen en zich door mijn moeder heeft laten inmaken met Wordfeud (ik snap nog steeds niet waarom ze niet gewoon scrabbelen, ze wonen in hetzelfde huis).

Ik rook aan het papier, de geur van mijn vader zat diep in de vezels. Vanochtend deed ik een brief voor hem op de post. De brievenbus zat helemaal vol, hij puilde nog net niet uit.

Wat nou, dacht ik, als meerdere mensen op het idee van brieven zijn gekomen, om zo genegenheid te uiten tijdens de epidemie. Dan is dit een oranje kastje dat uitpuilt van hoop. Dat er nog handen zijn die schrijven, van hoofden die nog niet van koorts zijn bevangen. Van benen die nog sterk genoeg zijn om een brief op de post te doen.

Het was een opbeurende gedachte, niet alleen dat er nog mensen gezond zijn, maar ook dat ze afstand bewaren tot hun geliefden om hen te beschermen. Dat ze massaal het offer van afwezigheid brengen.

Dat maakte de brievenbus meteen een altaar van gemis. Stil liep ik naar huis, naar mijn lege woning, mijn lege armen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.