Opinie

Hoe naar de dierenarts?

Frits Abrahams

Het verbeten oprukkende coronavirus confronteert je in het dagelijks leven met bizarre dilemma’s. Plotseling beland je argeloos in situaties waarmee je geen enkele ervaring hebt.

Wij hebben thuis sinds kort een kitten, Lotje geheten, dat opeens aan de diarree was. Over de details zal ik niet uitweiden, want er zullen maar weinig lezers zijn die daarvoor zo’n duur NRC-abonnement hebben genomen. Eén ding stond vast: Lotje mocht geen Noodlotje worden.

Uit de vakliteratuur over katten begreep ik dat een kitten snel kan verzwakken door diarree; bezoek aan de dierenarts werd dringend aanbevolen. Het was vrijdag, de dierenarts had die middag nog tijd voor een afspraak. Dat moest dan maar – onder druk wordt alles vloeibaar, zeker in dit geval.

Maar hoe gingen we daarheen? Autorijden doen we niet meer, onze kinderen, buren en vrienden wilden we niet lastigvallen, omdat sociaal contact juist ten zeerste wordt afgeraden. „Kunnen jullie ons even brengen? Wij zijn vermoedelijk nog niet besmet.”

De tram dan maar? De Rijksoverheid raadt openbaar vervoer expliciet af, maar keurt vervoer per taxi wél goed. Toch rees bij mij de hinderlijke vraag: is de voorgeschreven afstand van anderhalve meter tot de medemens wel realiseerbaar in een taxi, tenzij je, zittend op de achterbank, met je bovenlichaam uit het raampje gaat hangen, zoals je flatbewoners wel ziet doen die willen besparen op de glazenwasser? Een besmette chauffeur zou je misschien wel naar het schavot vervoeren, of begon nu de coronaparanoia (het rijm is niet nagestreefd) bij ons toe te slaan?

Kon je dan niet beter de tram nemen die dezer dagen minder vol is dan normaal en waar je bovendien zelf nog enigszins de ‘social distancing’ kan regelen? Maar stel dat die tram voor de afwisseling opeens wél vol was – wat dan? Dan zat je daar opgesloten tussen een blaffende medepassagier en een miauwende kitten, die van de zenuwen nog verder leegliep.

Het dilemma begon met de minuut benauwender te worden. In het uiterste geval was de kat straks diarreevrij – wij hebben een bekwame dierenarts - maar lagen wij tot in ons merg besmet op de intensive care. Je moet veel voor je poes overhebben, maar ik weet heel zeker dat de poes in het omgekeerde geval lekker voor haar eigen geluk – schoot, warmte, brokjes – zou hebben gekozen en ons had laten barsten.

„Ik neem wel alleen met haar de taxi”, bood mijn vrouw aan, „het is toch onzin als we allebei risico gaan lopen?” Ik vond het een bijna heroïsch aanbod, maar besloot het toch af te wijzen. Als het verkeerd afliep, had ik heel wat uit te leggen. „En jij liet je vrouw… helemaal alléén…”

Lopend of fietsend naar de dierenarts was evenmin een optie. Het was te ver in de bittere kou, de poes zou het niet overleven in haar mand. We kwamen er niet uit en vervloekten dit van dieren afkomstige virus, dat zich nu ook tegen ons eigen huisdier richtte. We bleven aarzelen, en wie aarzelt stelt uit. „Laten we het nog een nachtje aanzien”, stelde ik voor, „misschien gaat het morgen beter met haar.”

Die morgen lagen er opeens enkele onverwachte meevallers in de kattenbak te smeulen. Zacht, maar niet ongrijpbaar. Lotje bleef er onverschillig onder, maar wij juichten. Het virus was niet verslagen, wel omzeild. Nu dat vaccin nog.