Vanachter ’t glas

De baby lacht zijn allergulste lach, terwijl ik hem in een te kleine pamper prop. Voor een grotere maat moet ik de deur uit, onder de mensen komen. De baby heeft jou meer nodig dan die pampers, zegt mijn vriend. Het is nog even wennen om de medemens als een bedreiging te zien.

Het is nu een week geleden dat op donderdagavond de maatregelen kwamen. Ik herinner me lacherige reacties. Ook herinner ik me het verlichte huis aan de overkant, de avond erna. Op elke verdieping was een jonge vrouw bezig zich op te maken om uit te gaan. Ik keek ernaar met afgunst. Ik zat al vierenhalve maand in quarantaine, al gebruikten we dat woord nog niet. Onze baby drinkt niet uit de fles, dus ik moest steeds elk feestje laten schieten, tot het Boekenbal aan toe.

Nu, een week later, hoor ik van boekenbalgangers dat ze klachten hebben. Vrienden appen ons dat ze vermoedelijk besmet zijn. Mensen belanden in het ziekenhuis. Alleen in Zeeland lachen ze nog; een kwestie van tijd. In Italië sterven ze bij bosjes en krijgen geliefden geen gelegenheid tot afscheid nemen.

Mijn vriend probeert thuis te werken. Hij heeft oortjes in om niet gek te worden van de liedjes die ik zing. Ik zing over het lieve lijfje van de baby en strijk met mijn handen over zijn schoudertjes, zijn borst en buik tot en met zijn voetjes. Mijn vingertoppen zijn ruw van het handen wassen, maar hij vindt het grappig en kraait van dankbaarheid. Op de achtergrond klinkt het geluid van de radio. Het is Coronaspreekuur.

Ze zeggen dat het virus bij kinderen weinig kwaad doet. Maar bij zo’n wezentje dat nog helemaal geen afweer heeft? Ik ben er niet gerust op. Kunnen we hem beschermen?

De kredietcrisis heeft mij destijds niet zo erg geraakt. Ja, ik verloor mijn baan, maar tijdens de recessie die volgde had ik succes met mijn debuutroman. Intussen las ik de berichten over Griekenland, waar de situatie ernstiger en ernstiger werd. In 2011 kwam de opwindende Occupy-beweging op, die al gauw bijval kreeg van de klimaatvrezers. Er werd geprotesteerd bij de Amsterdamse Hemwegkolencentrale. Ik hoorde voor het eerst over preppers.

In datzelfde jaar kreeg ik mijn royalty’s. Een van de eerste dingen die ik kocht was een waterzuiveringsapparaat. Het bruine water van de gracht kon je daar gewoon mee drinken. Mijn toenmalige geliefde schudde zijn hoofd. Als het hier misgaat moet je wegwezen. Je kunt beter zorgen dat je je talen spreekt, en munten in je kleren naaien. Een gouden kettinkje kocht ik ook.

Dit is een heel andere crisis, en weggaan geen optie meer. Er wordt niet meer gevlogen, en geen land wil je nog hebben. Zelfs de Belgen willen geen Hollanders meer in de Ardennen, en de Zeeuwen willen geen Belgen meer in Sluis.

Ik weet nog hoe beschuldigende blikken voelen van mijn tijd in Athene. In het najaar van 2012 was ik daar zes weken heengegaan om de economische crisis van dichtbij te zien (en om erover te schrijven). Ik stond er tussen boze demonstranten die borden droegen met Angela Merkel aan een galg, vanwege haar strenge opstelling over Europese steun. Men dacht daar dat ik Duits was.

Er wordt op dit moment veel gezegd over solidariteit in tijden van crisis, maar men hamstert ook en zelfs familie hoeft je niet meer op de koffie. Wie al alleen was, is nu nog eenzamer. Wie al in angst leefde over zijn of haar gezondheid, nog veel angstiger.

Onze wereld is nu erg klein, maar ik realiseer me ook hoe rijk we zijn, met een baby die zichzelf nog niet eens herkent in de spiegel, en wiens fascinatie voor zijn vingertjes op dit moment even groot is als wat er voor hem verborgen blijft. Wat zal de wereld voor hem opengaan als we over een tijdje weer naar buiten kunnen.

Youp is ziek