Opinie

Het verschil met 2008

In Europa

Veel mensen vroegen afgelopen weken: waar is Europa? Wat stelt de Europese Unie voor, als ze in zo’n grote crisis zo weinig voor ons kan betekenen?

Zij stelden, terecht, vast dat alle EU-lidstaten hun eigen coronapolitiek voerden. Italië was in lockdown, en de Zweden gingen nog gewoon naar school. De eerste reflex van de Denen was, als altijd, om de grenzen te versperren met dikke blokken beton. Maar Nederland bleef open. Elk land stelde zijn eigen economische hulppakketten samen, vloog landgenoten naar huis en hield aanvankelijk zelfs mondkapjes en medische instrumenten voor zichzelf. Waarom moest dat zo? Waarom deed Brussel niets?

Het antwoord is simpel. EU-landen hebben in de loop der jaren besloten allerlei dingen samen te doen. Handel, bijvoorbeeld, en landbouw. Maar andere terreinen hebben ze nationaal gehouden. Eén daarvan is gezondheid. Elk land heeft zijn eigen zorgstelsel en gezondheidsbeleid. Brussel heeft daar niets over te zeggen. Wie van het ene EU-land naar het andere verhuist met een kind met een beugeltje, kan de behandeling daar niet laten afmaken. De beugel moet eruit, de diagnose moet opnieuw gesteld. En de verzekering betaalt natuurlijk niet twee keer uit. Alsof Europa, en vooral het sociale Europa, op een andere planeet ligt.

De vraag waarom Europa zo weinig deed, is dus gebaseerd op te hoge verwachtingen. De EU deed in het begin weinig, omdat het niet mag van de lidstaten.

Deze week hebben zij dat in één keer ingehaald. Eerst besloten de regeringsleiders om de buitengrenzen van de EU te sluiten om de druk op de binnengrenzen te verminderen. Personenauto’s worden aan die binnengrenzen gecontroleerd, vrachtwagens kunnen ongehinderd door. Dat werkt, behalve aan de Poolse grens, op veel plekken prima. Zo kunnen winkels woorden bevoorraad en krijgt de interne markt niet nóg een dreun. Ook besloten de regeringsleiders om onbestede gelden uit de Europese begroting, 37 miljard euro, te sturen naar ziekenhuizen en te steken in medisch onderzoek naar een vaccin.

Toen kwamen de euro-ministers van Financiën langszij. Zij steken synchroon 1 procent van het bbp in de economie en doen verder whatever it takes – een verwijzing naar het magische moment in 2012 waarop Mario Draghi de eurocrisis smoorde. Ook de Europese Centrale Bank gaf deze week een krachtig signaal: ze gaat weer banken steunen en staatsobligaties opkopen. Zo kunnen banken bedrijven en burgers die in het nauw zitten, geld blijven lenen. En beleggers weten: eurolanden dekken elkaar, dus gokken dat de eurozone uit elkaar valt, is zinloos.

Sommigen berichtten zelfs dat Angela Merkel ‘corona-bonds’ wil overwegen. Berlijn ontkende dat. Maar het feit dat dit thema nu al op tafel ligt, spreekt boekdelen. Zo traag en vol weerzin Europese regeringen bij de bankencrisis in 2008 in beweging kwamen, zo vlot gaat het nu.

Ook toen was de eerste reflex: nationale maatregelen. Pas later zagen regeringen dat er geen nationale oplossingen waren. Met het mes op de keel namen ze toen samen Europese maatregelen.

Nu dreigt er weer een eurocrisis. Landen steken zich diep in de schulden. Oostenrijk kreeg er in twee dagen 49.000 werklozen bij. De Italiaanse schuld loopt op.

Maar er is één groot verschil. Destijds ging het om geld. Schuld en boete stonden krachtdadig optreden in de weg. Er werd gescholden. Sommige landen waren ‘zondaars’. Nu is de enige zondaar het virus zelf. Dat bedreigt niet alleen het zuiden, maar heel Europa. Al die factoren maken samen handelen veel makkelijker.

Hoe het verder gaat, weet niemand. Maar zolang Duitsers voor Italië zingen en veel populisten in de touwen liggen, zou Europa hier weleens sterker uit kunnen komen. Want waar een wil is, is altijd een weg.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.