Lorraine Daston: „Het huidige wantrouwen jegens de wetenschap is gewoon hypocriet.”Foto Roger Cremers

Interview

Wetenschapshistorica Lorraine Daston: ‘We willen allemaal blijven geloven in waar we al in geloven’

Lorraine Daston Mensen gebruiken de natuur altijd om hun eigen standpunten kracht bij te zetten, zegt wetenschapshistorica Lorraine Daston. „Je vindt er altijd wel iets in dat jouw morele oordelen lijkt te spiegelen.”

Halverwege ons gesprek, in de lobby van een Amsterdams hotel, wordt Lorraine Daston plotseling fel. Niet dat ze haar melodieuze stem verheft, maar ze formuleert niet langer zoekend, maar heel beslist. Ik heb haar gevraagd naar de groeiende argwaan jegens de wetenschap. Wat te doen met mensen die er behalve hun eigen waarden, ook hun eigen waarheid op nahouden?

Daston: „Reken maar dat die houding zich tegen zichzelf keert. Iedere ochtend kijk ik naar de statistieken, net als u waarschijnlijk, ik zoek naar de feiten over het verloop van de pandemie. Donald Trump kon nog zo vaak roepen dat het een Europees virus was, en nu weer een Chinees virus, alsof het iets is dat alleen van buiten komt. Maar uiteindelijk kan ook hij de feiten niet ontlopen. En datzelfde gaat op nog zoveel andere terreinen ook gebeuren. Het huidige wantrouwen jegens de wetenschap is ook gewoon hypocriet. Als mijn auto het niet doet, breng ik hem naar een monteur, omdat hij er verstand van heeft en ik niet. Hij of zij heeft geen verstand van mijn werk. Zo hebben we de kennis verdeeld in onze maatschappij. Je wantrouwen jegens experts rechtvaardigen met je afkeer van de elite, dat werkt op den duur niet.”

„Wat wel een probleem is, is de neiging van wetenschappers die zich bedreigd voelen door de scepsis vanuit de samenleving om stelliger over hun resultaten te zijn dan gerechtvaardigd is. Iedere wetenschapper weet dat er onzekerheden zijn. We hopen juist dat onze kennis op een gegeven moment achterhaald blijkt. Dat is wat we vooruitgang noemen.”

De van oorsprong Amerikaanse Daston (1951) is een gerespecteerd wetenschapshistorica, die tot halverwege vorig jaar directeur was van het Max Planck Instituut voor Wetenschapsgeschiedenis in Berlijn. Een van haar belangrijkste academische studies gaat over hoe ons begrip van objectiviteit zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld. Heeft het idee dat het begrip objectiviteit zelf door de eeuwen heen veranderlijk is gebleken, niet juist zuurstof gegeven aan het populaire idee dat objectiviteit helemaal niet bestaat?

Daston: „Ieder wetenschappelijk idee maakt een historische ontwikkeling door. Het is een van de pijnlijke misvattingen van onze tijd dat wanneer je laat zien dat iets een geschiedenis heeft, je het daarmee ontmaskert als fictie, een leugen. Wanneer streven we naar objectiviteit? Juist wanneer we onszelf niet vertrouwen, bang zijn dat we ons laten leiden door ideologie of last hebben van tunnelvisie. Objectiviteit betekent dat je kiest voor de meest mechanische methode die mogelijk is om kennis te toetsen, omdat je je eigen oordeel niet vertrouwt. Dat is precies tegenovergesteld aan de gedachte dat iedereen er zijn eigen waarheid op na mag houden, omdat de waarheid nu eenmaal niet bestaat.”

Ik heb Daston opgezocht vanwege haar mooie essay Against Nature, dat in het Nederlands is vertaald. Daarin probeert ze te verklaren waarom wij mensen altijd de natuur erbij halen om morele argumenten te rechtvaardigen. Filosofen kunnen nog zo vaak roepen dat de Natuur geen moraal kent, we kunnen het gewoon niet laten.

Er zijn ook nu voorbeelden te over. De Israëlische orthodoxe rabbijn Meir Mazuz, die in het coronavirus een straf ziet voor de gay-parades in Tel Aviv of Eurocommissaris Frans Timmermans die afgelopen week stelde dat „Moeder Natuur dagelijks laat weten dat ze het zat is”.

Waarom zoeken wij mensen een bevestiging van onze morele of religieuze overtuigingen in de Natuur?

„In een werkgroep van het Max Planck Instituut kwamen we met ontzettend veel voorbeelden, uit de meest verschillende culturen en tijdperken. Een collega kwam bijvoorbeeld met teksten uit de Verlichting tegen masturbatie, waarin gesteld werd dat je allerlei vreselijke ziekten zou krijgen als je je daaraan schuldig maakte. Maar waarom mensen dat blijven doen, daar hadden we geen antwoord op. Die vraag bleef me bezighouden.”

In onze tijd zeggen we dat iets ‘in ons DNA’ zit, waardoor onze keuzes en gedrag gedetermineerd zouden zijn

U stelt dat wij mensen ons altijd iets willen voorstellen. Ons leven bestaat uit beelden, projecties, metaforen.

„Diep in onze psyche wortelt de aandrang om onze morele inzichten, normen en waarden, buiten onszelf vorm te geven. Dat kan door middel van een natuurlijk verschijnsel, bijvoorbeeld de eclips van de zon, maar ook door een uurwerk, of een bijenkorf. Vooral de natuur is aantrekkelijk voor ons. Ten eerste is die overal om ons heen, iedereen kan er gebruik van maken. Ten tweede is de natuur zo rijk aan levensvormen, dat je er altijd wel iets in vindt dat jouw morele oordelen lijkt te spiegelen. Ten slotte is de natuur minder veranderlijk dan door mensen gemaakte dingen. Stel dat ik in 1985 mijn eerste computer als voorbeeld had genomen, een Macintosh, dan was die metafoor nu volkomen antiek geweest.”

Zoals de tirade van de rabbijn aangeeft, trekken de Natuur en God vaak samen op als het gaat om ons de les te lezen.

„Homoseksualiteit is een interessant geval. In zijn Belijdenissen schrijft de kerkvader Augustinus bijvoorbeeld dat Christenen zich gewoon moeten aanpassen aan de normen en waarden van de Romeinen, maar hij maakt een uitzondering voor sodomie, omdat Gods wet dat verbiedt. Er bestaat een lange traditie waarin sodomie wordt gezien als iets dat tegen de natuur ingaat. Voor moord geldt dat bijvoorbeeld niet, dat is weliswaar verschrikkelijk, maar geen tegennatuurlijke gruwel. Dat is het ineens wel wanneer ouders hun kinderen doden. Al bij de oude Grieken. Wanneer Medea in het stuk van Euripides van plan is haar twee zonen te vermoorden, roepen de vrouwen van Corinthe: luister Medea, tot nu toe stonden we aan jouw kant, maar wanneer je dit doet zullen de rivieren achterwaarts stromen. Wanneer het om voortplanting gaat, of de intieme familiebanden, wordt de natuur als morele autoriteit aangeroepen.

Lees ook dit interview van Bas Heijne: Historicus David Wootton: ‘Ook ik ben een ongelukkige liberaal’

„In de middeleeuwse Roman van de Roos staat een heerlijke passage waarin de natuur wordt voorgesteld als een uit de kluiten gewassen vrouw, die als een smid met hamer en aambeeld mensen in de juiste vorm slaat. God heeft de mens geschapen, maar die moet iedere generatie opnieuw vorm krijgen. Dat is het werk van de natuur. Maar er zijn ook tal van niet-christelijke en ook niet-monotheïstische tradities waarin een beroep op de natuur wordt gedaan om morele normen te legitimeren. Die verleiding is overal.”

Dat lijkt nu ook te gebeuren, wanneer het bijvoorbeeld gaat over de ‘natuurlijke’ verschillen tussen man en vrouw.

„En wanneer het over ras gaat. In de negentiende eeuw werd als argument tegen vrouwen die wilden studeren ingebracht dat ze daarmee de energie verbruikten die bedoeld was om kinderen te kunnen baren. Waarom komen dergelijke argumenten, tegen wetenschappelijke bewijzen in, steeds weer terug? Omdat die manier van denken diep in ons verankerd is.

„Er is wel een verschil tussen vroeger en nu. De laat-achttiende-eeuwse Verlichtingsdenker Jean-Jacques Rousseau vond bijvoorbeeld dat moeders hun kinderen zelf de borst moesten geven, dat was natuurlijk, hij was fel tegen voedsters. Maar hij moest toegeven dat heel veel vrouwen hun kinderen toch gewoon door anderen lieten voeden. In de loop van de negentiende eeuw verandert er iets, dan wordt het onnatuurlijke het onmogelijke. Freud zag biologie als lotsbestemming, iets waar we met geen mogelijkheid aan kunnen ontsnappen. Je kunt in het algemeen zeggen dat in de achttiende eeuw de natuur vooral aan de kant stond van de hervormers en de revolutionairen, maar daarna juist aan de kant van de conservatieven en reactionairen, omdat de natuur dan als onveranderlijk en rigide wordt voorgesteld. Je hebt niet langer een keuze. In onze tijd zeggen we dat iets ‘in ons DNA’ zit, waardoor onze keuzes en gedrag gedetermineerd zouden zijn.”

Hoe verklaart u die omslag?

„Ik kan daar alleen over speculeren. Ik denk dat na de Franse en Amerikaanse revoluties de revolutionairen met een probleem werden geconfronteerd. Neem een man als Thomas Jefferson. Die had het Verlichtingsdenken omarmd, geloofde dat alle mensen gelijkwaardig waren. En toch leefde hij in een samenleving waarin alleen witte mannen met bezit stemrecht hadden. Bovendien steunde hij een fenomeen dat recht tegen het idee van gelijkheid inging, namelijk slavernij. Hoe moest je dat rechtvaardigen? Door een beroep op ‘de natuur’ te doen. Hetzelfde in Frankrijk. Een denker als Condorcet begreep dat er geen enkele reden was om vrouwen het kiesrecht te onthouden. Voor mannen als Robespierre was dat een reden om te zeggen, luister, we zouden het ook best willen, maar de natuur staat het ons domweg niet toe. Het is een hypothese, zeg ik er meteen bij. Maar het is interessant te zien wanneer zulke argumenten ineens opduiken, zowel aan de linker- als de rechterkant. Wanneer je niet langer politieke excuses hebt, omdat de ideologie van gelijkheid uitgaat, wordt een beroep op natuurlijke verschillen gedaan.”

Zulke argumenten zijn altijd zwak, schrijft u in uw essay, omdat je met „de natuur” echt alle kanten op kan.

„Wanneer je er bijvoorbeeld conservatieve ideeën over de rol van vrouwen in de samenleving op nahoudt, kun je naar de bavianen wijzen, die in een sterk patriarchale orde leven. Maar dan kan ik weer naar andere apen wijzen, of naar de bijen. Ik begrijp de angst als de natuur wordt aangeroepen wanneer het gaat om de acceptatie van homoseksualiteit, of over gelijkheid tussen de seksen en over ras, omdat de natuur dan wordt gebruikt als stok om opponenten mee te slaan. Ik denk dat die angst overdreven wordt. Het gaat altijd om malle retorische argumenten.”

Is dat niet te luchtig? Het gevaar van beelden en metaforen is dat ze kunnen verharden. Dan wordt verbeelden tot inbeelden. Dan krijg je fundamentalisme.

„Dat gevaar bestaat altijd, dat is waar. Daarom is de angst voor idolatrie zo groot in godsdienst en filosofie. Stel dat u en ik praten over onze huidige samenleving en dat we ons die voorstellen als een piramide, met onderop de mensen die nauwelijks rond kunnen komen en helemaal bovenaan de 1 procent die het grootste deel van de rijkdom bezit. Daar kunnen we dan lang over doorgaan zonder te beseffen dat het om een beeld in ons hoofd gaat, totdat er iemand langskomt die zegt, wat een onzin, onze maatschappij is als een voetbalveld, waar de middelen voortdurend als een bal worden rondgespeeld en iedereen gelijke kansen krijgt. Een neoliberale metafoor voor de maatschappij, zeg maar. Dan moeten we ineens ons beeld tegen het licht houden en verdedigen. Die botsing van beelden maakt ons kritisch en beschouwend.”

Of we volharden juist in onze beelden. Dan negeren we feiten die ons niet uitkomen of maken ze verdacht.

„Collega’s van mij onderwijzen genetica aan studenten die tijdens hun schooltijd in Kansas niets over de evolutietheorie hebben geleerd. Voor zijn gehoor in de Indiase Academie van Wetenschappen verklaarde premier Narenda Modi dat de Indiase goden in Vedische tijden over vliegtuigen beschikten waarmee ze van planeet naar planeet vlogen. Er is veel selectieve ontkenning van wetenschap. Er zijn ontelbare verzonnen geschiedenissen. Dat is van alle tijden.”

Maar het aanpassen van eigen opvattingen, of het nu om wetenschap of geschiedenis gaat, is moeilijk, omdat het de context van je eigen leven radicaal verandert. Niet alleen je overtuigingen, maar ook je herinneringen en emoties komen in een ander licht te staan.

„Dat is zeker moeilijk, we willen allemaal blijven geloven in waar we al in geloven. Maar neem de Franse Revolutie. Iedere nieuwe generatie opnieuw, zeker in Frankrijk, moet zich tot die historische gebeurtenis leren verhouden. De revolutie wordt steeds opnieuw geïnterpreteerd. Maar dat betekent niet dat de bekende feiten er ineens niet meer toe doen, er worden alleen nieuwe aan toegevoegd. Het betekent niet dat je er maar op los kunt fantaseren, je bent gedwongen oude en nieuwe feiten met elkaar in overeenstemming te brengen.”

Ons denken, schrijft u, zal altijd gepaard gaan met beelden, modellen, voorstellingen. We kunnen niet anders.

„Je moet dat zeker niet betreuren, want juist die modellen en metaforen helpen ons enorm vooruit. Ons denken zou volkomen bevriezen wanneer we het zonder zouden moeten doen. Wat we ons moeten realiseren is dat die voorstellingen niet zo solide en onveranderlijk zijn als we geneigd zijn te denken. We moeten bereid zijn ze open te houden, zo nodig aan te passen. Dat kan voor veel mensen een opgave zijn, maar ik denk dat we kunnen leren meer wendbaar te worden in ons denken. Neem een recent voorbeeld, de excuses die Nederland maakte aan Indonesië over de wreedheden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd. Daarmee laat je zien dat je nu ook in staat bent je in de beleving van de ander te verplaatsen. Dat mag je van de ander ook vragen. Je geeft je eigen perspectief niet op, je vergroot je eigen perspectief. Dáár moeten we naar streven.”

Lorraine Daston: Tegen de natuur in. Uitgeverij Octavo, 94 blz. €17,50