‘Memoir’ van een jonge hond

Iedereen leest Wekelijks schrijft NRC over de populairste boeken van dit moment. Deze week: Confettiregen van Splinter Chabot, die al stuiterend zijn eigen weg volgt.

Zijn ouders zijn begripvol. ‘We moeten vooral zorgen dat hij zichzelf kan blijven’, zegt moeder tegen vader in Confettiregen, ‘dat hij een omgeving heeft waarin hij zich veilig voelt.’ Ze bedenken: als ze tijdens het avondeten met hun vier jongens eens opwerpen dat een schoonzóón ook leuk zou zijn, voelt dat misschien als een uitgestoken hand.

Het is geen kwestie van afwijzing van homoseksualiteit. Die hand is er, en de openheid om erover te praten ook – al is het openheid op precies zo’n omzichtige manier dat je ziet waar het probleem zit. Dat Wobie op jongens valt, wijkt af van de meerderheid. Plak-oorbellen opdoen? Een jongen wordt dan nagekeken.

Dat wringt toch bij Wobie. ‘Ik vond het niet erg om iets anders te doen dan wat de meesten misschien deden, maar ik wilde daar wel zelf de controle over hebben. En nu groeide er iets onbeheersbaars vanbinnen, waardoor anderen me zagen als anders’, schrijft Splinter Chabot in zijn gefictionaliseerde memoir Confettiregen, dat na een emotionele lancering in De Wereld Draait Door nu al twee weken hoog in de bestsellerlijsten staat.

Splinter Chabot was eerder tv-presentator van SPLINTER, in de politiek, JOVD-voorzitter en tafelheer bij DWDD – waar zijn toon telkens hyperactief was, stuiterend, vrolijk, als een jonge hond van 24. Die toon komt authentiek over, als degene die hij is (en dat hij de zoon is van de minstens zo drukke Bart Chabot, mag daarvoor een extra argument zijn).

Die toon overtuigt daarom ook in Confettiregen, waarin hij zijn levensverhaal vertelt. Opgroeien in een Haags Villa Kakelbont waar het geluid van ‘schrijversregen’ door de gang klettert (als vader Bart zit te typen). Op een stoel staan in de klas, ‘vuurtorenhoog’, als hij jarig is, genietend van de aandacht. Maar ook de blikken moeten slikken die ‘kauwgombalachtig’ blijven plakken aan zijn roze dekbed en roze klamboe. Chabot schrijft het allemaal op, met speelse eigen details, maar ook heel uitgebreid, waardoor je de woorden af en toe wel op zijn spectaculaire spreektempo zou willen afspelen. De tekst ratelt voort, vaak zo ongepolijst als een blogpost, waardoor Chabot soms uitglijdt over zijn metaforenconfetti (‘Als een koe die met z’n snuit tegen het schrikdraad tikt, zo verkrampte de sfeer bijna weer in de richting van hakken in het zand’). Maar dat is fijnproeverskritiek. Die toon brengt het beoogde jongerenpubliek van dit boek wel dicht bij het verhaal. Zo zouden ze het zelf ook kunnen voelen.

Dat het boek een succes is, is dan ook geen verrassing. Chabots verhaal past in de trend van empowerment, van de ongefilterde verhalen van mensen die afwijken van de dominante norm, denk aan de zelfgeregisseerde coming-out van YouTuber Nikkie de Jager. Op zijn manier neemt Chabot hier ook de regie in eigen handen, door te tonen hoe je met een krachtige overtuiging en de steun van je omgeving toch je eigen weg kunt volgen. Dat is geen nieuw verhaal, maar wel een verhaal dat keer op keer door jonge mensen gehoord mag worden.

Reacties: boeken@nrc.nl