Recensie

Recensie Boeken

De nieuwe werkelijkheid na een ramp — kan literatuur die vangen?

Rampliteratuur In haar sciencefictionroman laat de Japanse schrijfster Yoko Tawada zien wat een ramp met een land doet. Zo zijn er belangrijke parallellen tussen verschillende soorten rampen.

Illustratie Anne van Wieren

In 2011, vlak na de drievoudige ramp die de Japanse Tohoku-regio trof – een aardbeving, een tsunami en een nucleaire meltdown – schreef de in Duitsland woonachtige Japanse auteur Yoko Tawada (1960) een kort verhaal over een nabije toekomst waarin Japan een nóg grotere ramp te verwerken heeft gekregen. ‘The Island of Eternal Life’, opgenomen in de Fukushima-bundel March Was Made of Yarn (2012), wordt verteld vanuit het perspectief van een emigré die moeilijk aan informatie over haar geboorteland kan komen. ‘Sinds 2015, toen directe communicatie met Japan werd afgesneden’, schrijft ze, ‘hebben de geruchten zich vermenigvuldigd als maden.’ Internet is afgesloten, post wordt niet meer bezorgd, de vliegvelden zijn uitgestorven.

De enige informatie komt – naar analogie van de Edo-periode (1603-1868), toen Japan in zelfgekozen isolement verkeerde – uit een reisverslag van een Portugees die het land is binnengeglipt. Dat verslag verhaalt van een vreemde wereld waarin de overheid geprivatiseerd is, waarin bejaarden niet meer sterven, de verzwakte kinderen niet oud worden en waarin dokters – vastberaden de levens van stralingsslachtoffers te redden – vuurvliegen vangen om na het invallende duister door te kunnen werken. Het gaat dus om een nucleaire ramp, niet om een Covid-19-achtige pandemie, hoewel het idee van de massaquarantaine van een heel land dezer dagen een wrange lading krijgt.

‘The Island of Eternal Life’ blijkt een voorstudie te zijn geweest voor de korte sciencefictionroman De laatste kinderen van Tokyo (2014), die in 2018 de National Book Award voor vertaalde literatuur won en nu in de vertaling van Luk van Haute in het Nederlands is verschenen. Een merkwaardig boek waarin we datzelfde Japan van binnenuit zien, hoofdzakelijk aan de hand van de stokoude schrijver Yoshiro, die voor zijn achterkleinkind Mumei zorgt.

Tokyo is goeddeels ontvolkt door een trek naar de periferie, leenwoorden (het Japans kent er vele) zijn in onbruik geraakt, paardenbloemen zijn tot chrysanten gemuteerd, gender is fluïde geworden en dieren zijn uitgestorven, op wat huurhonden na. Internet en telefoon bestaan niet meer, wat contact onderhouden met familie elders bemoeilijkt.

Maar de belangrijkste verschuiving is die tussen de generaties. Bejaarden lijkt de dood niet meer gegund, net zo min als pensioen. Kinderen zijn juist gedoemd prematuur te overlijden, zodat de zorgrelatie is omgekeerd. De bejaarden – ‘jonge bejaarden’ van 75, ‘middelbare’ van boven de 90 en honderdplussers als Yoshiro – verzorgen en begraven hun nageslacht.

Boterzachte tanden

Afgezien van het stralingsaspect vertelt De laatste kinderen van Tokyo niet uit welke specifieke ramp dit nieuwe Japan is voortgekomen. De nadruk ligt op de eigenaardigheden van de nieuwe wereld en daarnaast op de verhouding tussen de zorgelijke Yoshiro en Mumei, die boterzachte tanden en vogelbotjes heeft, snel moe is, maar mentaal sterk. ‘Blijkbaar kon Mumei de betekenis van het woord ‘lijden’ niet vatten’, schrijft Tawada. ‘Als hij moest hoesten, hoestte hij, als voedsel langs zijn slokdarm naar boven kwam, gaf hij over en dat was dat.’

Het ventje is bovendien behept met een verhoogde sensibiliteit, zoals blijkt na een tandartsbezoek. ‘Als het zo doorgaat, wordt de mens een tandeloos wezen, maalde het op de terugweg van de tandarts door Yoshiro’s hoofd. Mumei las meteen zijn gedachten en zei: “Mussen hebben ook geen tanden, maar ze redden zich prima, dus geen probleem.”’ Door die specifieke kwaliteiten komt hij in beeld bij een eigenaardige groepering, die plannen heeft met kinderen zoals Mumei.

Dat laatste suggereert ten onrechte een conventioneel plot. Zoals ook de toon – afwisselend elegisch, lichtvoetig en poëtisch – onconventioneel blijft. Dit is geen dystopie à la P.D. James’ The Children of Men (1992), waarin in een grimmig Groot-Brittannië geen kinderen meer geboren worden. Sterker, in de levenshouding van Mumei en in Tawada’s post-kapitalistische, offline-wereld zou je zelfs utopische kwaliteiten kunnen herkennen.

Kort na Fukushima stelde ik in deze krant de vraag hoe ‘de drievoudige catastrofe zich zal vertalen, in de psyche en in de kunst’. Zouden schrijver en kunstenaars de ramp aangrijpen om ook andere problemen van het land – vergrijzing, economisch stagnatie, nationalistische politiek – aan te kaarten?

Dezelfde vraag zou je kunnen stellen naar aanleiding van Covid-19. Hoewel Tawada eerder een Fukushima op steroïden in gedachten lijkt te hebben, zijn er belangrijke parallellen tussen de verschillende types rampen.

Japanse psyche

Catastrofes zijn van oudsher nauw verweven met de Japanse psyche, om de simpele reden dat het land er vaak mee te maken heeft gehad. Alleen al in de laatste honderd jaar tellen we de Grote Kanto-aardbeving, de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, de aardbeving van Kobe en de ramp van 2011, die 16.000 levens eiste en een groot gebied rond de Fukushima Daiichi-kerncentrale onleefbaar heeft gemaakt. De reflectie daarvan zien we in de kunst, waarin de verbinding wordt gelegd tussen individueel en collectief trauma, zoals in Haruki Murakami’s Na de aardbeving (2000), en waarin diepgewortelde angsten in gruwelvisioenen worden gegoten, zoals in de monsterfilm Godzilla.

Wat opvalt aan de artistieke reactie op Fukushima is de impliciete en vaak expliciete politieke lading. Het is niet louter de natuur of de buitenwereld die Japan te grazen neemt, de ramp is óók het resultaat van eigen politieke onwil. Waarom op zulke kwetsbare grond kerncentrales gebouwd? Natuurrampen zijn van voorbijgaande aard – opruimen en de doden begraven – maar, zoals filosoof Jean-Luc Nancy in After Fukushima (2014) benadrukte, het is de nucleaire component die Fukushima een lange halfwaardetijd geeft. ‘De effecten verspreiden zich over de generaties en de bodemlagen.’ Fukushima laat zien dat de natuurlijke omgeving steeds nauwer is verweven met de politieke, technologische, economische en culturele aanwezigheid van de mens, iets waarvan ook klimaatverandering een voorbeeld is.

Politieke dimensie

Diezelfde politieke dimensie van rampspoed zien we nu bij de omgang met Covid-19, een pandemie die politieke problemen blootlegt, variërend van de onwil en het onvermogen van autocraten met een onwelgevallige realiteit om te gaan, de draconische maatregelen die in sommige gevallen een achterdeur blijken voor het optuigen van een nóg repressievere samenleving, tot de complicerende factor van globalisering. De kritiek op de Japanse premier Abe echoot dan ook de kritiek naar aanleiding van Fukushima.

Lees ook: Lezen in quarantaine: geruststellende verhalen over de ondergang

Tawada’s collega Hiromi Kawakami was de eerste die literair op Fukushima reageerde, vanuit ‘een ingehouden woede die nog steeds niet is weggeëbd’. Een woede die ook op haarzelf gericht was. Anderen gebruikten Fukushima om tot systeemkritiek te komen: naast anti-nucleair is hun werk ook een aanval op de neo-liberale orde. Feller dan voorheen wordt er gesproken over de prijs van privatisering, over hebzucht en over de onder nationalistisch rechts levende overtuiging dat nucleaire infrastructuur nodig is voor een kortere route naar atoomwapens. Ondertussen wil president Abe het grootste deel van ’s lands stilgelegde kerncentrales herstarten. Abe probeert, aldus Rachel DiNitto, samensteller van Fukushima Fiction: The Literary Landscape of Japan’s Triple Disaster (2019), de ramp te ‘regionaliseren’ door een wig te drijven tussen Tokyo en de atoomslachtoffers (hibakusha) van Tohoku.

Hoewel het woord Fukushima in De laatste kinderen van Tokyo niet valt, maakt Tawada er geen geheim van dat haar roman moet worden gelezen in dat licht. In Het Parool zei ze zelfs dat Fukushima haar „verplichtte tot het schrijven van het boek”. Ze liet zich inspireren door de problematische vergrijzing van Japan, het feit dat nucleaire straling grotere impact heeft op jonge lichamen, en een hang naar isolationisme die ze na de ramp onder jonge Japanners waarnam.

Wat haar boek vooral belangrijk maakt, is de radicale aanpak. Tawada zoekt naar een nieuwe vorm, een nieuwe taal zelfs, voor wat beschouwd kan worden als een nieuwe tijd. In De laatste kinderen van Tokyo rafelt het weefsel van de wereld: de bodem, de cultuur, de genetica, de taal. Er is sprake van omkeringen, vertekening en verheviging. Ze toont ons een gemuteerde wereld, hoewel het woord mutatie ook beladen is geworden, en doet dat in ‘gemuteerde’ literatuur. De laatste kinderen van Tokyo is deels tragedie, deels satire, deels liefdevolle karakterstudie, deels poëtische overpeinzing, deels dystopie, deels utopie en dus eigenlijk: geen van al deze dingen.

Of dit ‘werkt’? Voor deze lezer niet altijd. De vorm is – door terloopse perspectiefwisselingen – bij vlagen wat al te amorf, en soms verzandt de tekst in een catalogus van curiositeiten. Maar Tawada werpt wel een essentiële vraag op: volstaat literatuur volgens gangbare principes om een nieuwe werkelijkheid te beschrijven en te onderzoeken?

Haar antwoord is: nee. Daarmee stelt ze ook niet-Japanse schrijvers voor een uitdaging: hoe bijvoorbeeld te schrijven over klimaatverandering en een post-kapitalistische wereld? Tawada manifesteert zich in De laatste kinderen van Tokyo als een medium voor visioenen. De tijd zal leren welke andere gewaagde vormen dit tijdsgewricht nog meer zal genereren.