Opinie

Het corona-communisme is linkse rancuneleer

In West én Oost worden de revolutionaire messen geslepen. Naast populistisch parafascisme steekt een linkse rancuneleer de kop op, aldus Hubert Smeets.

Hubert Smeets

Nationaal-populisten zien corona als een kans de gevestigde orde van bestuur en wetenschap omver te werpen. Maar ook aan gene zijde worden de revolutionaire messen geslepen. Een voorbeeld ervan werd deze week gepresenteerd door socioloog Willem Schinkel. „De voorwaarden waaronder het coronavirus tot democratische uitzonderingstoestanden en economische crisis kan leiden, kennen we onder de naam ‘kapitalisme’.” We moeten terug naar „een socialistische economie” waarin „de gemeenschap niet als vangnet voor de markt fungeert”, maar het geld „direct naar de mensen gaat, in plaats van naar bedrijven en banken”, aldus Schinkel in NRC. Schinkels perspectief is een evocatie van het arcadische landschap dat Friedrich Engels ooit schetste in zijn Grundsätze des Kommunismus (1847), een vroeg-marxistische catechismus die een toekomst voorspiegelt waarin ieders behoeften worden bevredigd en er dus geen prostitutie meer is.

Het toeval wil dat ik in een land heb gewoond waar (bejaarde) leerlingen van Engels aan de macht waren: de Sovjet-Unie. Van 1990 tot 1992 kon ik daar zien dat (economische) stagnatie geen „boekhoudkundige werkelijkheid” is, zoals Schinkel schrijft. Integendeel. De doodsstrijd van dit socialistische land, in 1986 aangekondigd door de kernramp in Tsjernobyl, was voor de gewone burgers een concreet én fysiek gevaar. Volgens de Russische president Poetin was het einde van het Sovjetimperium zelfs de grootste „geopolitieke catastrofe van de twintigste eeuw”.

Los van de vraag of er vorige eeuw geen nog grotere rampen waren, vast staat dat de gevolgen immens waren. Zeven jaar na Tsjernobyl leefden 50 miljoen Russen rond of onder de armoedegrens. Evenveel bijbelse jaren later was het inkomen per hoofd van de bevolking met circa 40 procent gekrompen. Het aantal geregistreerde zelfmoorden groeide tegelijkertijd van 39.100 in 1990 naar 61.900 in 1994, het aantal doden door tuberculose verdubbelde tot bijna 21.400. Moord en doodslag – van 21.100 in 1990 naar 47.900 – overtroffen in relatieve zin alle andere sterftecijfers. De levensverwachting van mannen was intussen gedaald tot circa 58 jaar. Ook het demografische plaatje op langere termijn zag er dramatisch uit. Had Sovjet-Rusland bij de volkstelling van 1989 ruim 147 miljoen inwoners, twintig jaar later was de bevolking teruggelopen tot nog geen 143 miljoen.

Dat lag niet alleen aan de perestrojka en het ‘wilde kapitalisme’ van Poetins voorgangers Gorbatsjov en Jeltsin. De oorzaak van deze ontluisterende neergang ging verder terug dan Tsjernobyl. Het einde van de Sovjet-Unie stond op het conto van het „ontwikkelde socialisme”, zoals het systeem heette in de grondwet van partijleider Brezjnev anno 1977. Sindsdien stagneerde de economie namelijk en erodeerde de volksgezondheid navenant mee. Alcohol bleef intussen een beproefder vangnet dan de socialistische gemeenschap. In 1995 dronken de Russen 9,45 liter per persoon, net zoveel als onder Brezjnev in 1980.

Deze lotgevallen van het sovjetsocialisme laten de corona-communisten koud. „Genezing moet het doel zijn, niet het stelpen van het bloeden – hoe nodig dat nu ook is”, aldus een van hen deze week in De Groene Amsterdammer. Geen (sociaal)democratisch reformisme maar rekeningen vereffenen, dat is hun prioriteit. Aldus openbaart de pandemie een nieuw politiek fenomeen: naast populistisch parafascisme steekt ook een linkse rancuneleer de kop op.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets werkt bij het kenniscentrum Raam op Rusland. Hij schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.