Recensie

Recensie

De vele verleidingen van het F-woord

Fascisme Gelet op de diepe wortels van het fascisme in de Europese geschiedenis is het niet vreemd dat het in nieuwe vormen opduikt. Maar over de definitie van hedendaags fascisme is geen consensus.

Demonstratie van aanhangers van Perón, rond 1950 in Buenos Aires, Argentinië.
Demonstratie van aanhangers van Perón, rond 1950 in Buenos Aires, Argentinië. Foto Bettmann Archive

Valt er nog wat te lachen met fascisten? Het F-woord is terug van weggeweest in het publieke debat en dan niet eens als scheldwoord maar als feitelijke beschrijving. Over Wilders horen we het al jaren, maar Baudet komt met zijn opvattingen over boreale superioriteit en anti-boreale omvolking dichter in de buurt. En natuurlijk kun je ook de hele bliksemse neoliberale boel ‘fascistisch’ vinden, zoals in linkser-dan-linkse kringen in de mode is. Trouwens, uit het Boekenweekessay 2020 leren we dat zelfs grachtengordel- dédain voor gewone lezers ‘bijna fascistisch’ is. Bijna – dat gelukkig nog wel.

Laten we dan ook de fascist in onszelf niet vergeten. Hoe leren we die kennen? De Italiaanse activiste Michela Murgia heeft daar een handzaam en geestig boekje over gemaakt, dat nu in het Engels is vertaald. Alles wat je moet weten om zelf fascist te worden staat erin: vijand-denken, racisme, vitalisme, verheerlijking van het zuivere volk, en: de heilig verontwaardigde bezwering dat je uiteraard geen fascist bént. Er is ook een ‘fascistometer’, waarmee de lezer zijn F-gehalte kan bepalen met stellingen als: ‘kiesrecht is overgewaardeerd’ en ‘jongens moeten jongens blijven’.

Maar we moeten dit boekje niet serieuzer nemen dan het bedoeld is – als vrolijke noot in de bibliotheek. Wie het lachen is vergaan, kan terecht bij twee andere recente titels: The New Faces of Fascism van de Italiaanse marxist Enzo Traverso (1957), en de her-editie van From Fascism to Populism in History van de Argentijnse historicus Frederico Finchelstein (1975).

Hun zuidelijke herkomst is een voordeel, want die relativeert de identificatie van fascisme met de Duitse variant, die om begrijpelijke redenen in Nederland dominant is. Finchelstein onderzoekt met name de transatlantische ‘herijking’ van het fascisme na de Tweede Wereldoorlog. Dat betekent veel aandacht voor het autoritaire populisme in Zuid-Amerika, vooral voor het Argentijnse peronisme. Geen van beide boeken is populaire kost. Finchelstein treedt vaak in herhaling, Traverso is polemischer, maar verliest zich soms in academische twisten. Toch zijn de boeken aanraders, alleen al omdat ze duidelijk maken hoe slap doorgekookt Nederlandse mediarecepten met het F-woord vaak zijn.

Cruciaal voor beider benadering is dat het fascisme niet langer wordt gezien als een eenmalig verschijnsel of historische aberratie. Eerder als een beweging met diepe wortels in de Europese geschiedenis, waarvan elementen zich opnieuw kunnen manifesteren. Traverso gebruikt de term ‘postfascisme’ voor rechts populisme zoals dat van Le Pen of Orbán (en ongetwijfeld zou hij er ook Baudet onder scharen): verwant, maar niet hetzelfde. Grootste verschillen: de meeste populisten accepteren het parlement, hebben geweld afgezworen en mijden expliciet racisme, in elk geval voor de bühne.

Nieuwe consensus

Tegelijk zetten Traverso en Finchelstein zich af tegen de ‘nieuwe consensus’ die in de jaren negentig is gegroeid in het fascisme-onderzoek. Die ‘consensus’, het werk van vernieuwers als Stanley Payne, George Mosse en Roger Griffin, breekt met twee oude, maar simplistische verklaringen van het fascisme. Allereerst met het marxistische dogma dat het fascisme een beheersingsinstrument was van het kapitalisme in crisistijd, om de arbeidersklasse eronder te houden. In het ‘wetenschappelijke’ marxisme was immers geen plaats voor revolutionaire concurrenten. Anderzijds breekt de nieuwe consensus ook met de liberale standaard-opvatting van het fascisme als een louter reactionair verzet tegen de moderniteit.

In plaats daarvan leggen onderzoekers als Griffin en Mosse de nadruk op de utopisch-revolutionaire inzet van het fascisme. Geen schuim op de golven van het kapitalisme of een irrationele, anti-moderne oprisping, maar een rechts-revolutionaire massabeweging met een eigen ideologische wervingskracht.

In Nederland is die nieuwe consensus (te vinden in Robin te Slaa’s Wat is fascisme?) niet overal doorgedrongen of omarmd; opmerkelijk omdat Jacques de Kadt al in Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) aandacht vroeg voor de ‘gevoels- en gedachtenwereld’ van het fascisme. De sociologen Willem Schinkel en Rogier van Reekum hanteren in hun Theorie van de kraal bijvoorbeeld een fascisme-interpretatie die nog afkomstig lijkt van de stalinistische Komintern uit 1933: fascisten als marionetten van het grootkapitaal en de bourgeoisie. Of, zoals de sociologen zeggen, als ‘loopjongens’ van de ‘kapitaalaccumulatie’. Ook de Groningse filosoof Thijs Lijster volgt die lijn in recente beschouwingen over het denken van Theodor Adorno. Hij herhaalt de sleetse stellingen dat het nazisme ‘niet zozeer een revolte was tegen het industriële kapitalisme, maar eerder een uitvloeisel ervan’ en dat het fascisme ‘geen ideologie [is], maar veeleer een ordeloze verzameling van simpele frasen’.

Geweld en genocide

Nu is de nieuwe consensus ook niet onomstreden. Traverso verwerpt die expliciet. Mosse en anderen onderschatten volgens hem de drijvende kracht van anti-communisme voor de fascisten, hun verheerlijking van geweld en de relatie daarvan met het eerdere Duitse kolonialisme. Maar Traverso’s grootste bezwaar blijft de voor communisten nog altijd onverteerbare notie van een fascistische ‘revolutie’: het gaat er bij hem niet in.

Dat lijkt een intellectueel achterhoedegevecht. Serieuzer is Traverso’s kritiek dat de fascistische geweldscultus in de ‘nieuwe consensus’ te weinig nadruk krijgt. Een verklaring ligt voor de hand: om het genocidale karakter van het fascisme kon na Auschwitz niemand meer heen. Juist de sociale, culturele en utopische aspecten die nodig zijn voor een completer begrip van het fascisme, bleven lang onderbelicht of werden afgedaan als ‘totalitarisme’. Over het Duitse kolonialisme als voorloper van de nazi-genocide bestaat inmiddels overigens een rijke literatuur, zonder de Shoah te reduceren tot louter een herhaling of intensivering van koloniaal geweld.

Ook Finchelstein heeft kritiek op de ‘nieuwe consensus’, zij het gematigder. Hij vindt die te eurocentrisch en te veel gericht op een algemene ‘taxonomie’ van het fascisme, waardoor lokale verschillen uit zicht raken. Ook dat verwijt is niet helemaal terecht; de verschillen tussen fascisme en nationaal-socialisme komen onder nieuwe onderzoekers juist nadrukkelijk aan bod. Zijn eigen werk biedt een gedetailleerde blik op de Zuid-Amerikaanse opvolgers van het Europese fascisme.

Hij stelt daarbij vast dat ‘vroege’ populisten als Perón minder radicaal waren dan hun nazaten in Europa en de VS, die hij openlijk racistisch vindt. Bij hen is het volk niet alleen een demos maar een etnos, een etnische gemeenschap. Ook Traverso signaleert dat. Al verhoudt Trump, een man die handelt uit instinct, zich volgens hem tot het klassieke fascisme zoals de ongeregelde Occupy-beweging staat tot het 20ste-eeuwse communisme.

Hoe nu verder? Als goede marxist ziet Traverso uiteraard nieuwe tijden komen; de wereld kreunt onder de crisis van het neoliberalisme en binnenkort zal de deksel van de pan vliegen. Links zal dan heus ‘de juiste woorden’ vinden. Dat klinkt optimistisch. Ondanks nieuw links elan is autoritair nationalisme nog steeds een electorale groeimarkt en lijkt de ‘normalisering’ ervan in volle gang. Maar wie weet hoe de wereld er na de huidige, ontwrichtende pandemie uit zal zien.