Reportage

De dokter en de dominee: ‘Ze luisteren naar mij, maar ze geloven jou’

Dorp op de Biblebelt De dokter en de dominee van Rouveen, in de gemeente Staphorst, zijn elk op eigen wijze hoeders van de dorpelingen. De dokter komt uit Iran, de dominee is ‘geroepen door God’. Toch verstaan ze elkaar.

Rouveen, Overijssel. Reza Pezeshki Nia, de dorpsarts: „Ik had meteen een klik met de mensen hier.”
Rouveen, Overijssel. Reza Pezeshki Nia, de dorpsarts: „Ik had meteen een klik met de mensen hier.” Foto Eric Brinkhorst

Reza Pezeshki Nia, in 1974 geboren in Teheran, kwam op zijn zeventiende met zijn ouders en drie broers aan in Nederland. Dat was in 1990. Reza leerde de taal, deed in een jaar de laatste drie klassen van het vwo en ging geneeskunde studeren in Groningen. „Op mijn veertiende wist ik dat ik dokter wilde worden”, zegt hij. „De docent biologie, in Teheran, had een kikker meegenomen en wekte voor de klas de reflexen op. Ik dacht: wow, dit is het.”

Na zijn studie werkte hij in verschillende ziekenhuizen, specialiseerde zich tot huisarts en begon in 2012 als waarnemer voor andere huisartsen in de dorpen rond Zwolle. Toen werd het januari 2015. De huisarts in Rouveen, een kerkdorp in de gemeente Staphorst, midden in de Biblebelt, had zijn sleutelbeen gebroken en vroeg hem om voor een paar dagen zijn werk over te nemen. „Op de tweede dag”, zegt Reza, „wist ik dat ik hier wilde blijven.”

Hij zit achter zijn bureau, dinsdagmiddag 3 maart. De praktijk, met een psycholoog, een diëtist, verpleegkundigen en assistenten, is niet ver van het dorpsplein, tegenover de Gereformeerde Kerk. Honderd meter naar links is nog een Gereformeerde Kerk. Honderd meter naar rechts staat de Hervormde Kerk, de oudste (bouwjaar 1641) en grootste van de drie. En een kilometer in de richting van Staphorst, tussen rietgedekte boerderijen met felgroen geschilderde luiken: het kerkje van de Oud Gereformeerde Gemeente. Wat maakte dat Reza Pezeshki Nia, ongelovig, zich hier meteen zo prettig voelde? „Bijna niet uit te leggen”, zegt hij. „Het is iets met verbondenheid. Ik had meteen een klik met de mensen hier.” Half februari, vlak voor corona, had hij me een mailtje gestuurd: of hij eens over zijn werk in dit bijzondere deel van Nederland mocht vertellen.

Altijd een bijbel bij de hand

De huisarts voor wie hij in januari 2015 had waargenomen, een dokter van de oude stempel, witte jas, altijd een bijbel bij de hand, was al op leeftijd, maar had het niet over stoppen – tot hij Reza een halfjaar later opbelde en riep dat hij hem onmiddellijk wilde spreken. Reza: „Oe, dacht ik. Wat heb ik misdaan? Om acht uur zagen we elkaar op de post en toen zei hij dat hij zijn praktijk aan me wilde verkopen.” Hij slaat met zijn vuist in zijn hand. „Ik wíst het! Hij had met een paar kandidaten gesproken, zei hij. Maar de patiënten vroegen naar mij.”

In het begin liepen er ook patiënten bij hem weg. Die donkere, de man met die brune hoet (bruine huid) en zijn baard, een mohammedaan misschien wel, was die te vertrouwen? „Mijn voorganger vroeg of we niet met de huisartsen in Staphorst om de tafel moesten, om te voorkomen dat de mensen naar hen zouden overlopen. Nee, nee, zei ik. Het komt wel goed.”

Lees ook: Dominee Schouten nam de Bijbel letterlijk en huilde op zijn sterfbed om de streken van de duivel. Hij leefde zestig jaar samen met Jaap. De dominee en zijn kameraad

En het kwam goed. „Ik begon met 2.900 patiënten en nu zijn het er 3.400.” Veel, ja. Een gemiddelde praktijk in de stad heeft 2.000 patiënten per huisarts. Maar in een dorp als Rouveen, zegt hij, gaan de mensen niet zo snel naar de dokter. Die klik, wat bedoelt hij daarmee? Nu moet hij een beetje voorzichtig zijn. Patiënten moeten zichzelf niet in zijn verhaal herkennen. In de voorbeelden die hij geeft zijn details veranderd of vermengd met andere gevallen. „Ik ben direct”, zegt hij. „Ik benoem de problemen. Praten doen de mensen hier niet, dat hebben ze niet geleerd. Komt er een jonge vrouw bij me, gereformeerd, ongetrouwd. Dokter, ik heb zo’n buikpijn, hier en hier en hier. Ik onderzoek haar, ik vind niets, ik laat haar terugkomen, ik praat met haar, en na de derde keer, ik heb nog steeds niets gevonden, zeg ik: heb je eraan gedacht dat je misschien lesbisch bent. Ah! De opluchting! Nu woont ze samen met een vriendin.” Niet in Rouveen, nee. Veel te streng voor hun kinderen Onderdrukte seksuele gevoelens, die ziet hij hier veel. En ouders die veel te streng voor hun kinderen zijn. „Komt een vader binnen met zijn zoontje, hij duwt hem naar voren en zegt: geef de dokter een hand. Dat kind begint te huilen. HOU OP MET HUILEN. Ik zeg tegen de vader: ga even zitten, we gaan het over hechting hebben. Jij bent de veiligheid van je zoon en als jij dit doet” – hij geeft een duw in de lucht – „dan wordt hij bang. Ja, maar hij moet jou groeten. Nee! Hij moet worden gerustgesteld! Een meisje komt hier met oorpijn. Haar moeder zegt: ze slaapt niet, dokter, ze moet een kuur. Het meisje oogde niet ziek, met de oren was niets aan de hand. Ik zak wat door mijn knieën. Lieverd, waarom kun je niet slapen? Hoe gaat het op school? Ze begint vrolijk te vertellen. Ik terug naar de moeder: vergeet die kuur, je dochter wil aandacht, daarom stelt ze zich aan. Aandacht? Waarom dan? O, o, denk ik, arme vrouw, wat heb jij zelf gemist dat je dat niet snapt? Als mijn zoon van zestien buikpijn heeft en ik zeg dat het vanzelf overgaat, dan wijs ik hem af. Maar als ik zeg: ga maar even liggen, ja, inderdaad, deze spier is een beetje stijf, dan weet hij dat hij altijd bij me kan aankomen.”

Praten doen de mensen hier niet, dat hebben ze niet geleerd

Reza Pezeshki Nia huisarts

Relatieproblemen ziet Reza Pezeshki Nia ook veel, uit angst voor intimiteit. „Een vrouw komt bij me met duizelingen en tintelingen in haar handen. Niets te vinden, allemaal stress. Ik weet dat haar man ernstig ziek is. Hij gaat sterven. Laten we met je man gaan praten. Nee, dokter, dat durf ik niet. Maar lieve vrouw, we kunnen het toch proberen? We gaan samen naar haar man en ik zeg tegen hem: jij gaat dood en zij is verdrietig, praat met haar. Nee, dokter, dat kan ik niet, daar ben jij voor. Pardon? Je ziet je vrouw lijden en jij zegt dat je niet met haar kan praten? Dat fascineert me dus. Ik denk: wat kan ik doen? En wie is er voor deze man in zijn angst en zijn eenzaamheid? Mensen kunnen hier veertig jaar met elkaar getrouwd zijn, en ze zijn vreemden voor elkaar.”

Wat kan hij doen? „Ik adviseer om boeken te lezen. Boeken van Rika Ponnet, een relatie-expert en seksuologe. Blijf bij mij. Gaat over hechting. Boeken van Esther Perel, van Sue Johnson, een Canadese relatietherapeut. Houd me vast. Ze wíllen het lezen. Ze zijn heel gemotiveerd. Ik zeg: je zegt dat je buikpijn hebt, maar je voelt je niet gezien en niet gehoord. Ik zeg: jij en je man, jullie vallen elkaar alleen maar aan, jij hebt het gedaan, nee, jíj hebt het gedaan. Er is geen winnaar. De psychologe hier in de praktijk zegt: Reza, ik geef ze huiswerk en na een week hebben ze alles keurig gemaakt.” Hij lacht. „Ik kan me niet voorstellen dat er iemand op aarde is die basaal géén psychische schade heeft opgelopen in het domein van erkenning, waardering, begrip en liefde. Het belangrijkste is dat we het zien en er iets mee doen.”

Hier klopt iets niet

Over de dagelijkse medische dingen als oorontsteking en hoge bloeddruk heeft hij het nu even niet. Hij heeft het over wat zich uit als een lichamelijke klacht, maar in werkelijkheid iets anders is. De gevolgen van seksueel misbruik. „Dat benoem ik ook”, zegt hij. „Komt een meisje van dertien met haar zusje, de moeder is thuisgebleven. Zusje gaat naar de wachtkamer, het meisje huilt, au, au, au. Ik zeg tegen haar: hier klopt iets niet, iemand heeft je pijn gedaan. We gaan nu samen naar je moeder. We gaan praten.” Hij zucht. „Wie doet het anders? Niemand.” Waarom wordt het van hem geaccepteerd? „Omdat ik een buitenstaander ben. Je kunt ook vragen wat het in mij is dat ik dit wil. Hart voor de patiënt? Ja. Goed gevonden willen worden? Ook. Verder? Ik heb iets met de mensen hier, noem het liefde. De verbinding met hun diepste gevoel is hun ontnomen door hun geloof en dat is eeuwenlang een voordeel geweest. Als er een ziekte uitbreekt, als je kinderen sterven, als de oogst mislukt, als je moet trouwen met iemand die jij niet hebt uitgekozen, kun je maar beter niet te veel voelen en altijd naar boven te wijzen: daar is over jou beslist. Ik zeg tegen patiënten: jij met je bijzonder mooie grote hart dat nooit is aangeraakt, wat wil je zélf? Als je zo dichtbij komt, wordt iedereen emotioneel. Ik zeg: je kijkt niet naar je eigen behoeften, je bent boos en ontevreden, je reageert het af op je vrouw. Wat wíl je? Dat ze me een knuffel geeft, dokter. Ja, en jij doet bot tegen haar.”

Bijbel van de dominee

Op het bureau van Reza Pezeshki Nia ligt ook een bijbel, in de Statenvertaling van 1637. Heeft hij van de dominee gekregen „Dominee Romkes van” – hij moet het even googlen – „de Oud Gereformeerde Gemeente”. Hij slaat de bijbel open bij het boek Esther, ‘lieflijke jonge dame’ in het Perzisch, en laat plaatjes van twee mozaïeken zien: van de Joodse Esther, die door de Perzische koning tot vrouw was genomen, en van haar oom Mordechai, met wie ze de door de Perzen beraamde ondergang van het Joodse volk wist te voorkomen. Reza streelt ze met een wijsvinger. Hij heeft ze laten fotograferen en uitvergroten en gaat ze ophangen in de nieuwe praktijkruimte die hij net heeft gekocht. Hoe kent hij dominee Romkes? Dat is een verhaal, zegt hij, dat hij liever met de dominee samen vertelt. Hij zal hem uitnodigen.

Dan brengt hij me in zijn auto naar station Meppel. Onderweg wijst hij naar de nesten met ooievaars, naar de oude boerin die met een gebogen rug haar tuintje staat te wieden. Haar man is net overleden. Hij was erg benauwd, maar hij wilde geen morfine, dat was tegen zijn geloof. Reza Pezeshki Nia vertelt over mensen hier die om dezelfde reden niet verzekerd zijn. Een vrouw van wie de man maandenlang in het ziekenhuis lag, vond elke week een envelop met geld voor haar deur. „Dat wordt door de gemeenschap opgebracht.” Hij komt hier in huizen waar de tijd stilstaat. Geen televisie, een kachel die tevens tot fornuis dient, in de winter elke avond om zes uur naar bed. Ja, zegt hij, het zou ook een verlies zijn als dit allemaal zou verdwijnen. Als de mensen hier net zo hyperindividualistisch zouden worden als buiten de Biblebelt, meer bezig met zichzelf dan met de ander. Maar hij ziet het nog niet zo snel gebeuren.

Reza Pezeshki Nia (links) en Harm Romkes, de dominee van de Oud Gereformeerde Gemeente. Foto Eric Brinkhorst

Visser der mensen

Harm Romkes, de dominee van de Oud Gereformeerde Gemeente in Rouveen, is in 1975 op Urk geboren. Op zijn zestiende kwam hij van de zeevaartschool en werd visserman op de Noordzee. Op zijn dertigste, hij was getrouwd en had al drie kinderen, stapte hij over op de duwvaart, met een eigen schip. Tien jaar later begreep hij dat God hem geroepen had om visser der mensen te worden. De landelijke commissie van onderzoek van de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland achtte, zeer uitzonderlijk, zijn roeping volkomen geloofwaardig en was overtuigd van zijn bekering. Romkes mocht proponent worden (wel preken, geen eigen gemeente) en daarna lerend ouderling. Sinds anderhalf jaar is hij predikant in de volle bediening der sacramenten.

Het is donderdag 12 maart, in Rouveen is net het eerste geval van corona vastgesteld, en dominee Romkes zit in zijn zwarte pak in de spreekkamer van Reza Pezeshki Nia. Die zit op ruime afstand tegenover hem, in een geruite broek en coltrui, en luistert aandachtig naar Romkes’ bekeringsverhaal. Alleen als de assistentes hem roepen loopt hij naar buiten, en komt dan terug met nieuwe koffie, met eierkoeken, met kibbeling van de viskraam. Romkes’ verhaal duurt meer dan twee uur. Het begon ermee dat hij op zijn achttiende voor het eerst het besef kreeg, zoals dat heet, van een Hogere Macht die alles weet en alles ziet. „Het was zondagochtend, ik lag op bed, en om een uur of negen riep mijn moeder me, om tien uur begon de kerk. Maar ik bleef slapen. Ik was de avond ervoor met mijn vrienden op stap geweest, ik bleef liever liggen. Om vijf voor tien, mijn moeder was al weg, werd ik in één keer klaarwakker, waarom kan ik niet verklaren, en kwam dit versje in mijn gedachten. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. Psalm 123. Het kwam zeer krachtig bij me. Ik heb me nog nooit zo snel aangekleed, ik móést naar de kerk. Ik kom binnen, het orgel speelt al en krek dát versje wordt gezongen. Dan kan je praten over toeval. Maar voor mij is er geen toeval. Alles wat op aarde gebeurt ligt vast. Elk mensenleven ligt vast.”

‘Opeens hoor ik een stem’

Een jaar later, zijn grootmoeder ligt op sterven. „Ze had de gevreesde ziekte, de vliegende eh… gevreesde ziekte.”

„Een infectie?”, vraagt Reza.

„Kanker. De laatste week van haar leven was ze tot ruimte gekomen, ze had de volle hoop dat ze wist waar ze naartoe reisde, op grond van het bloed van Christus. Dat is het enige fundament op grond waarvan we kúnnen afreizen. Buiten Christus is geen leven, maar eeuwig zielsverderf. Zaterdagochtend ben ik bij haar en ze waarschuwt me ernstig: jong, ik lig nu voor de dood, maar jij komt er ook ooit voor te liggen en kun jij dan sterven? ’s Middags zit ik in de kroeg, ik vóél dat het verkeerd is, dus ik ga naar huis en onderweg kom ik mijn schipper tegen. Hij zegt: je grootmoeder is gestorven. Bij het condoleren een paar dagen later zegt mijn moeder: ga jij gauw eens even bij je grootmoeder zitten. De kist met haar stoffelijk overschot staat in de consistorie, bij ons op Urk in de Oud Gereformeerde Kerk. Nee, moeder, dat doe ik niet. Ja, doe dat maar. Ik ga het toch doen en ik zit daar helemaal alleen. Ik kijk naar die kist en opeens, ik kan dat niet uitleggen, opeens hoor ik een stem: HEDEN IK, MORGEN GIJ. Ik geloof dat in de dadelijkheid. HEDEN IK, MORGEN GIJ. Ik kreeg wéér een indruk van wie God is, heilig en rechtvaardig, en van wie ik was, ellendig, stoffelijk. Ik was zo overweldigd dat ik plat op de vloer terechtkwam, op mijn knieën, helemaal verbroken, en ik kon alleen maar zeggen: HEERE, bekeert mij.”

Alleen in Christus’ bloed is behoudenis, ook in tijden van corona

Harm Romkes dominee

Bijna twintig jaar lang kreeg Harm Romkes telkens weer zulke tekens, twintig jaar lang voerde hij strijd, eindeloos werd hij op de proef gesteld, tot hij zich gewonnen gaf en zich daadwerkelijk bekeerd wíst. Hij had op zijn dertigste al eens een openbaring gekregen waarin hij zichzelf op de preekstoel zag, en toen, op een avond…

„O ja, die avond in het ziekenhuis”, zegt Reza Pezeshki Nia. „Dat is zo bijzonder.”

‘Ik voelde: ik kón niet sterven’

„Ik was ziek die week”, zegt dominee Romkes. „Maar je bent ondernemer, je moet vooruit. Vrijdagavond kom ik thuis, laat, een uur of twaalf, en ik ben echt ziek. Koorts, mijn keel, alles doet zeer. Ik pak een paar tabletjes, paracetamol, en slik die door met een glas water. Wat gebeurt er? Ze schieten verkeerd, in mijn luchtpijp. Ik dacht werkelijk te stikken. Een ander hád gestikt. Ik dacht werkelijk te sterven, maar ik kón zo, in mijn waarneming, niet sterven. Mijn vrouw erbij, wij naar het ziekenhuis in Lelystad. Ik zit daar voorovergebogen in een stoel om nog een beetje lucht te krijgen, en wat zie ik daar lopen? Een klein torretje, in exact dezelfde kleur als de vloer, en in dat torretje zie ik mijn eigen beeld. Mijn ene voet staat hier, mijn andere voet staat daar, en ik hoef alleen maar dít te doen” – hij trapt – „en het torretje is dood. Ik hoef maar te slaan” – hij slaat op Reza’s bureau – „en de vlieg is dood. De HEERE hoeft dat ook maar te doen en ik ben er niet meer. Al die jaren had ik de HEERE tegengestaan. Ik wílde niet volgen, ik wílde niet preken, wat zouden ze op Urk wel niet zeggen? Hoe kón ik praten, hoe kón ik preken? Maar de HEERE vergeldt kwaad met goed, altijd gedaan, en op dat moment kreeg ik mijn leven terug. Dat torretje liep gewoon door, omdat Christus sprak: Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven. Want alleen in Christus is behoudenis. En ik zei: HEERE, ik zal het doen.” Wat deed de dokter in het ziekenhuis? „Die heeft met een buis de stukjes paracetamol uit mijn luchtpijp gehaald. Daarna wilde hij dat ik een paar uurtjes zou blijven, maar ik zei: dokter, ik moet naar huis, morgen hebben wij Avondmaal. Je begrijpt het misschien niet, dokter, maar morgen mag ik naar de bruiloft van de koning.” En toen? „Toen zei hij: ga maar.”

Foto Eric Brinkhorst

Het sterfbed van Jantje

Harm Romkes en Reza Pezeshki Nia ontmoetten elkaar voor het eerst bij het sterfbed van Jantje, een vrouw van 45 die als klein meisje een hersenabces had gehad en daarna niets meer kon, niet eens slikken, behalve als er heel voorzichtig een lepel in haar mond werd gedaan. Ze lag in bed en haar ouders verzorgden haar, 42 jaar lang, tot ze een fatale longontsteking kreeg. „Jantje was een gekende”, zegt dominee Romkes. „Ik voelde dat de HEERE onmiddellijk in haar gewerkt had. Nooit eerder had ik een stervende gezien waar zo’n vrede vanuit ging, zo’n blijdschap en vreugde, ondanks dat ze zuchtte onder het lichaam der zonde en des doods. Jantje had wel erfzonden, maar geen dadelijke zonden, en ik voelde dat de HEERE haar zou behouden voor de eeuwigheid.”

Lees ook: Hans Schouten, ooit de protestantse dominee die Jannetje Koelewijn doopte, werd op zijn tachtigste tot priester gewijd. Ze zocht hem op, ook met haar vader, in een poging de omslag te begrijpen. ‘Ik was dat vrijzinnige gedonder zat’

„Jantje was een heel lieve meid”, zegt Reza Pezheskinia. „Ik was al dagen druk bezig met zuurstof regelen, infuus regelen, eten regelen, want ze moest aansterken, ze moest worden verpleegd, en toen was het ’s middags drie uur…”

„…en ik had net een stukje uit Openbaring 22 gelezen”, zegt dominee Romkes, „en ik was aan het bidden met de familie erbij, en toen kwam jij binnen.”

De dokter: „En jij zei tegen me dat ik op mijn knieën moest. En wat zei je nog meer? Dat ik naar de hemel mocht? Je zei heel mooie dingen, wat was het ook alweer?”

De dominee: „Ik zei: dag dokter, jij moet ook bekeerd worden. Daar schrok je wel een beetje van.”

De dokter: „Ja!”

De dominee: „Maar dat ik dat zei, Reza, dat was uit liefde, niet om je de les te lezen. Ik zag je op dat moment niet als dokter. Ik zag je als een ziel.”

De dokter: „Ja, en dat voelde ik. Dat het liefde was. Een van de mensen die erbij waren, iemand uit jouw kerk, vroeg later aan me wat ik ervan vond dat ik van jou op mijn knieën moest. Ik zei: heel bijzonder.”

En was hij op zijn knieën gegaan?

De dokter: „Nee, dat niet.”

Toch is er een soort van vriendschap tussen hen ontstaan. Ze drinken koffie, ze praten, en soms, als Reza Pezeshki Nia op een geloofskwestie stuit die hij niet begrijpt, belt hij Romkes, en die legt het hem dan uit. „De mensen luisteren naar Harm”, zegt hij. „Dat hoor ik van iedereen.”

„Ja, ze luisteren naar me”, zegt Romkes. „Maar ze geloven jou, Reza. Als jij tegen een patiënt zegt dat hij de gevreesde ziekte heeft, dan gelooft hij je en gaat hij er alles aan doen om medicijnen te krijgen en langer te leven. Als ik zeg: je kan morgen sterven, en kán je sterven?, dan gelooft hij me niet. Terwijl hij weet dat het waar is.”

De schuilplaats des Allerhoogsten

Op donderdag 19 maart zijn er zes coronagevallen in Rouveen. De dokter heeft tegen de dominee gezegd: stop met de diensten. De dominee weet nog niet of hij dat zal doen. Hij roept de mensen op om zich te wenden tot Christus. „Alleen in Christus’ bloed is behoudenis, ook in tijden van corona.” Hij citeert Psalm 91 vers 1: Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen. Daarna vers 3: Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.