Opinie

Ander gedrag na pandemie?

Frits Abrahams

Een oude vrouw in de supermarkt, zuchtend boven haar boodschappenkarretje: „Het ergste is dat ik mijn kleinkinderen niet meer zie. Ik heb Skype, maar dat blijft behelpen.”

Achter haar zie ik de caissières aan het werk, het verbaast me dat ze op minder dan een meter van hun klanten zitten. Vreemde tegenstrijdigheid. Kleinkinderen mogen niet, maar klanten wel? (Inmiddels zijn er doorzichtige schermen geplaatst, het werd tijd.)

De droefheid van die oude vrouw is voor elke grootouder invoelbaar, al zou ik er nog wel aan willen toevoegen dat veel grootouders óók de ouders van die kleinkinderen erg zullen missen. Voor het eerst van hun leven kunnen ze hun eigen kinderen beter niet meer ontmoeten. Verjaardags- en familiefeestjes worden op grote schaal afgelast. Als er een complete lockdown komt, zullen zulke contacten worden afgestraft met boetes. „Met wie staat u daar te praten? Uw kind? Bent u helemaal gek geworden?”

Ooit zal ‘corona’, lockdown of niet, overwonnen worden, maar de vraag rijst nu al of deze pandemie tot permanente gedragsveranderingen zal leiden. Zal bijvoorbeeld de handdruk blijven? Veel mensen verliezen nu hun leven door die beleefde, hartelijke, stevige, slappe, warme, soms ook klamme handdruk.

Op een filmpje bij Nu.nl legt Ineke Strouken, ex-directeur Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed in Nederland, uit dat de handdruk nog een betrekkelijk jonge traditie heeft: begonnen in de 17de eeuw, maar pas populair geworden in de 19de. Tradities kunnen veranderen of verdwijnen, zegt zij, en ze wijst erop dat er op bijeenkomsten al minder gezoend wordt dan in de jaren negentig. Toch vermoedt ze dat de handdruk zal blijven.

Misschien is er nog een andere, minstens zo belangrijke gedragsverandering mogelijk. Ik loop dezer dagen weer veel door de binnenstad van Amsterdam, die zoveel stiller en toegankelijker is geworden nu het toerisme is weggevallen. Een spookstad, vinden sommigen; ik begrijp wat ze bedoelen – de stilte heeft iets van de stilte voor de storm – maar toch mag die rust voor mij nog wel even duren.

Doodstil is Amsterdam trouwens nog steeds niet, het is nu meer een provinciestad uit de jaren vijftig, een stad waar je op je gemak doorheen kunt slenteren. Zelfs de Wallen zijn rustig en de gewone bewoners – ja, die zijn daar ook – genieten ervan.

De vraag is of het massatoerisme in deze periode een vernietigende slag wordt toegebracht. De toerist wordt immers met de neus op de keerzijde van zijn onverzadigbare reislust gedrukt. Hij is niet langer welkom, de westerse toerist wordt in Azië zelfs uitgestoten als mogelijke virusdrager. Hij wil naar huis, maar hij moet soebatten en eindeloos wachten op vliegvelden. Wereldwijd zouden alleen al 200.000 Nederlanders zich in zo’n situatie bevinden.

Zullen ze, als ze eenmaal terug zijn, nog zo verlangen naar verre reisdoelen, of zullen ze het voortaan dichter bij huis zoeken? Misschien is de wens de vader van mijn vraag. Het komt ook doordat ik als inwoner van Amsterdam dagelijks zoveel plat, zinloos toerisme zie: rijen voor coffeeshops en waardeloze musea, fietsers die zonder enig benul door de stad jakkeren.

Terwijl ik deze regels tik, hoor ik dat Youp van ’t Hek met het coronavirus in het ziekenhuis is opgenomen. God hoort me vloeken.