Opinie

Zijn naam was Arturo

Dagboek Coronavirus

We hebben onze eerste virusdode in de familie. De zwager van mijn lieve zwager Andrea, over wie ik dinsdag schreef dat hij in kritieke toestand was opgenomen in het ziekenhuis van San Martino, is vanochtend overleden.

Het was het eerste nieuws over zijn toestand dat zijn vrouw en wij, de rest van de familie, vernamen sinds zijn acute opname van eergisteren. De artsen en verplegers werken harder dan ze kunnen om de aanwassende zondvloed van doodzieke patiënten het hoofd te bieden.

Telefoontjes om de familie te informeren over het verloop van de behandeling zijn een luxe geworden waarvoor zij geen tijd meer hebben.

Uiteraard was ziekenbezoek uitgesloten. Hij heeft zijn vrouw en kinderen niet meer kunnen zien.

Zijn naam was Arturo. Ik kende hem van familiefeestjes en etentjes als een vrolijke en gulle man, een weggetjesweter en een ondernemer die danste met de samenleving en zaken deed met engelen en duivels. Hij stond midden in het leven.

Arturo’s echtgenote is zelf besmet. Zij zit opgesloten in haar huis in de strengste vorm van quarantaine die er bestaat. Zelfs haar broer, mijn lieve zwager Andrea, mag niet naar haar toe om haar tranen te drogen. We kunnen haar bellen en dat doen we ook, maar het verdriet en haar eenzaamheid, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, hebben haar gedachten vertroebeld. Zij is ontroostbaar in die zin dat troost haar niet bereiken kan.

Arturo’s dochter verblijft in een ver buitenland, waar zij stage loopt. Zij weet nog van niets en de vraag dringt zich op wat zij ermee wint om op de hoogte gesteld te worden. Ze kan toch niet naar Italië komen. En ook als dat zou kunnen, zou het weinig zin hebben om dat ook te doen. Ze kan niet naar haar moeder en er zal geen begrafenis zijn.

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.