Opinie

Pronken én problematiseren

De gemeente Rotterdam denkt dat jongeren op Zuid zichzelf (ook) als probleem zien, blijkt uit onderzoek naar de buitenruimte. Maar zij beschouwen zichzelf gewoon als bewoner, broer, vriend of kleinkind. Terecht, zegt Jonasz Dekkers, zij zijn niet ‘de ander’.

Illustratie Stella Smienk

Toen ik afgelopen zomer op een zonnige dag over het plein van het puntige Centraal Station van Rotterdam fietste, ging ik snoeihard op m’n gezicht. Ik heb een doortrapfiets en ging te ‘diep’ in de bocht zitten waardoor mijn trapper de grond raakte. Omdat die fiets dus uit zichzelf doortrapt werd ik gelanceerd. Het was ook nog eens een drukte van jewelste en grof geschat draaiden er op dat moment zo’n vijfhonderd hoofden tegelijk om en zagen me neerkomen. Ik had behoorlijk veel pijn, maar dat kon ik natuurlijk niet laten zien. Dus stond ik op, lachte het voorval ongemakkelijk weg en reed weer door.

Dit lijkt een gebeurtenis die je zo snel mogelijk wilt vergeten, maar in dit geval bleef het me toch lang bij. Niet omdat het zo ongemakkelijk was – ongemak ervaar ik wel vaker – maar vanwege die vijfhonderd gezichten die zich ineens allemaal tegelijk naar mij richtten. Allemaal getekend door dezelfde gezichtsuitdrukking: verbazing, vergezeld door een klein glimlachje van leedvermaak. Dezelfde uitdrukking, maar totaal verschillende gezichten. Gezichten van alle mogelijke kleuren op een spectrum waarin wit ook een kleur is: de diversiteit van Rotterdam keek me recht in het gezicht.

Het stationsplein met haar enorme uitgestrektheid en karige grasveldjes was op dat zomerse moment hèt voorbeeld van hoe een openbare ruimte op een positieve en natuurlijke manier gebruikt kan worden door haar diverse bewoners. Liggend, wandelend, fietsend, skatend en lachend begeven zich er jongeren en ouderen, autochtonen en allochtonen. Rotterdammers die zich in alle richtingen of geen enkele begeven. Samen delen ze de stad. Als de gemeente dat voor ogen had bij de aanleg van het plein, chapeau. Zo niet, dan is het een ideaal voorbeeld van hoe bewoners zelf de openbare ruimte op een constructieve manier delen in Rotterdam. Maar dat gebeurt niet overal. Sterker nog, ik denk dat het op weinig plekken zo natuurlijk is gegaan als op het plein voor de Punt.

De situatie deed me denken aan het veelbesproken (en bekritiseerde) reclamefilmpje van de gemeente ter promotie van het (inmiddels uitgestelde) songfestival, getiteld Rotterdam For Real. Rotterdammers – vooral jongeren – van allerlei etnische achtergronden representeren er de tenenkrommende slogan ROTTERDAM. MAKE IT HAPPEN. De vraag van critici is een terechte: wat wil de gemeente nou precies? Is Rotterdam nou die unieke stad in de wereld waar de 174 nationaliteiten bewijzen dat hier de multiculturele samenleving wel is gelukt? Is Rotterdam wel echt die hippe stad van het stationsplein waar iedereen alle ruimte krijgt voor cultuur, recreatie en ontspanning? Of is dat filmpje niets meer dan een promofilmpje waar we niet over moeten zeiken?

Ik neig naar het laatste, maar toch overheerst bij mij het gevoel dat het diversiteitsbeleid van de gemeente twee gezichten heeft: aan de ene kant wil ze graag pronken met de 174 nationaliteiten, maar aan de andere kant problematiseert ze de mensen achter die nationaliteiten. Aan de ene kant promoot ze een ‘make it happen’-cultuur, open voor iedereen die wil, maar aan de andere kant is er op veel plekken sprake van gentrificatie en is de gemeente terughoudend met het verstrekken van culturele vergunningen en subsidies.

Een illustratief voorbeeld van het tweekoppige diversiteitsbeleid van de gemeente is een enquête die het Rotterdamse Humankind afnam in de Bloemhof op Zuid onder zowel beleidsmakers als bewoners. Humankind is naar eigen zeggen een agency for urban change. Het richt zich op de verandering van publieke buitenruimtes in steden, zoals Rotterdam en Tel Aviv, met onder andere als democratisch doel de dialoog tussen bewoners en de gemeente te stimuleren en te begeleiden.

De gemeente huurde Humankind in om het gebruik en de perceptie van de buitenruimte onder jongeren in kaart te brengen. In de enquête vroegen ze onder andere naar de zelfbewustheid van jongeren uit de buurt: hoe ervaren zij het Oleanderplein en wat is hun idee van hoe anderen over hen denken wanneer ze zich begeven op het plein? Dezelfde vraag werd voorgelegd aan zo’n twintig tot dertig (voornamelijk witte) beleidsmakers die werken aan Bloemhof. Hun werd dus gevraagd om zich te verplaatsen in het perspectief van de jongeren op het plein. De jongeren gaven uitsluitend positieve antwoorden; ‘ik word gezien als de kleindochter mijn oma en die komt hier wel vaker’; ‘ik word gezien als iemand die er goed uitziet, als een harde papi’; ‘ik word gezien als die jongen van om de hoek’. De beleidsmakers daarentegen waren vrijwel uitsluitend negatief, in de trant van ‘wat loop ik hier nou te hangen’. Er was een enkele beleidsmaker (toevallig de enige die niet wit is) die niet negatief antwoordde op het jongerenperspectief: ‘ik leef hier gewoon’.

Kortom, jongeren op het Oleanderplein denken dat anderen hen beschouwen als een positieve factor in de buurt, terwijl de gemeente denkt van niet. Voor de jongeren werkt de diversiteit vanzelf, voor de gemeente blijkbaar niet. Die discrepantie is schrijnend. De gemeente heeft het beste voor met de buurt en het plein, maar tegelijkertijd is de (onbewuste) houding naar haar bewoners wantrouwig en problematiserend. De gemeente moet zich realiseren dat ze met deze houding de jongeren degradeert tot ‘ander’ en daarmee afstand creëert. Een afstand die moeilijk te overbruggen is, waardoor diversiteit – en vooral de mensen achter de diversiteit – een mysterie wordt en passend beleid een hele opgave.

Dit voorbeeld laat zich vertalen naar de kritiek op het songfestivalfilmpje: aan de ene kant pronken met de diversiteit van de stad, maar tegelijkertijd degenen die de stad divers maken problematiseren. Het Rotterdamse diversiteitsbeleid gaat daarmee voorbij aan het feit dat het de Rotterdammer is die bepaalt of dat beleid slaagt of niet. Wanneer de mens en zijn sociale omgeving centraal staat, gaat hij het zelf doen, die buitenruimte delen. En dan ‘werkt’ diversiteit vanzelf. Dan loop je niet te hangen, maar ben je de kleindochter van oma. En net als op het stationsplein kan iedereen dan zelf vallen en weer opstaan, onder het toeziend oog van elke Rotterdammer.

politicoloog en student filosofie