Analyse

Boeken over epidemieën: hamstergedrag is niets nieuws, net zomin als paniekverhalen

Apocalyptische romans

Een quarantaine is een proefopstelling voor menselijk gedrag, waarin harteloos egoïsme en extreem altruïsme naast elkaar bestaan. Dat is de constatering van , die literatuur las over ontwrichtende epidemieën.
Illustratie Anne van Wieren

Het begint altijd met iets kleins. Dokter Rieux voelt iets zachts onder zijn voet wanneer hij door de gang loopt, en dat zachte blijkt een dode rat te zijn. Of het begint met iemand die zijn auto niet start wanneer het verkeerslicht weer op groen gesprongen is, omdat hij overvallen is door plotselinge, melkachtige blindheid. Omdat het klein is, lijkt het onbetekenend. De overgrote meerderheid leeft in een heel andere werkelijkheid dan de enkeling die ziek is, of zich zorgen maakt. ‘Er zijn geen ratten in dit gebouw’, zegt de portier. ‘Die blindheid, dat zijn ongetwijfeld zenuwen’, zegt de behulpzame voorbijganger. Dokter Kittell geeft duidelijk te verstaan dat de stad geenszins te maken heeft met een epidemie van poliomyelitis.

We weten allemaal dat plagen, in welke vorm dan ook, een terugkerend verschijnsel zijn – en toch zijn we niet bereid, niet in staat om het te geloven als zo’n plaag vanuit het niets op ons neerdaalt. Maar we zijn dol op fictie over hypothetische rampen. Anders dan je zou denken, zijn verhalen over de ondergang namelijk vaak geruststellend: een fictieve Apocalyps loopt over het algemeen goed af. Natuurlijk gaan er mensen dood, vaak zelfs bij bosjes, maar in fictie zijn dat zelden de mensen om wie je echt geeft.

Die zekerheid hoort bij het genre. Het bekendste apocalyptische verhaal, de Openbaringen van Johannes, is letterlijk een afrekening. De belofte achter al die rampen is immers dat een toekomstige wereld rechtvaardiger zal zijn dan de onze, dat degenen die nu lijden in een later leven beloond zullen worden. Voor die combinatie van een ramp gekoppeld aan de belofte van een betere toekomst bedacht sciencefictionschrijver Brian Aldiss de uitdrukking cosy catastrophe, gezellige catastrofe.

Aldiss doelde vooral op The Day of the Triffids, een sciencefictionroman waarin de bevolking collectief blind geworden is door een meteorietinslag, en zich in die kwetsbare staat moet zien te verhouden tot uiterst agressieve, genetisch gemanipuleerde planten. De combinatie roeit een groot deel van de mensheid uit, maar aan het eind van het boek bezinnen de overlevenden zich op het eigenlijk best gezellige Isle of Wight op manieren om de wereld weer te herstellen.

De cosy catastrophe werd vooral populair kort na de Tweede Wereldoorlog. Het genre raakte misschien aan sciencefictionthema’s, maar was allesbehalve vooruitstrevend. In plaats daarvan bood het houvast in een samenleving die ingrijpend was veranderd, troost voor mensen die niet meer wisten in wat voor land ze eigenlijk leefden.

Aanraking

‘Het eerste wat de pest naar onze stad bracht, was verbanning’, schrijft Albert Camus in De pest (1947). De inwoners van Oran, opgesloten in hun quarantaine, waren verbannen naar een heden waar ze niet wilden zijn, met een onzekere toekomst in het vooruitzicht. Ze verlangden terug naar het verleden, of stelden zich voor dat een geliefde plotseling terug zou komen. Een cosy catastrophe versterkt de bestaande orde. Soms is dat precies waar mensen naar hunkeren als ze door een ramp verstoten worden uit de vertrouwde wereld, als alles wat eerder vanzelfsprekend leek dat niet meer is.

De eerste vanzelfsprekendheid die sneuvelt tijdens een epidemie is de mogelijkheid om elkaar vast te houden. Ziekte en aanraking zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zo betekent de oud-Hebreeuwse term voor plaag ook slag of aanraking, want de vernietiging die epidemieën teweegbrachten kon alleen begrepen worden als een straf van God. En het Engelse woord voor besmetting, contagion, bevat een samentrekking van con- (samen) en tangere (aanraken). Een fascinatie met aanraking vormde ook het startpunt voor mijn roman Quarantaine (2015), waarin de onsympathieke Tomas Augustus alleen achterblijft nadat een ziekte een groot deel van de bevolking heeft uitgeroeid. Rond die tijd speelde de Ebola-crisis, en de media stonden vol met beelden van als astronauten ingepakte zorgverleners. Ik vroeg me af wat het met iemand doet wanneer je niet kunt worden aangeraakt op het moment dat je zo ziek bent. Hoe voelt het als niemand je huid kan strelen, juist wanneer je de troost van anderen harder nodig hebt dan ooit? Wat doet het met je als je zelf een fysiek gevaar voor je geliefden bent geworden?

Zoals vaker ging het personage met me aan de haal, en de verteller van mijn post-apocalyptische roman bleek iemand die zich sowieso nooit geïnteresseerd had voor de wereld om hem heen. Maar aanraking en kwetsbaarheid bleven de rode draad in het verhaal, waarin het zorgvuldig opgebouwde ego van de hoofdpersoon steeds verder afbrokkelt.

Ziekte maalt tenslotte niet om status. Wat dat betreft is een epidemie, en ook een quarantaine, een grote gelijkmaker. Pas als er iets misgaat, verschijnt ons lijf in ons blikveld en vanaf dat moment kenteren de verhoudingen. Niet voordat ziekte of verwonding van een abstracte en vage dreiging verandert in iets wat voelbaar en dichtbij is, valt op hoe sterk ons schijnbaar vanzelfsprekende dagelijks bestaan afhankelijk is van die lichamelijke basis. Plotseling gaat het om je fysieke toestand of om de plek waar je toevallig bent als er een quarantaine afgekondigd wordt – niet meer om hoe belangrijk je bent, hoeveel geld je hebt, of een van de andere dingen waaraan we doorgaans status en zelfvertrouwen ontlenen. Lees bijvoorbeeld Mary Shelleys The Last Man, waarin de pest gelijkheid brengt: ‘prachtige gebouwen, luxueuze tapijten en donzen bedden waren voor iedereen beschikbaar.’ Camus laat een zekere Tarrou aan het woord, die in zijn dagboek beschrijft hoe verontwaardigd de manager van zijn hotel is omdat de ratten ook daar in de lift zijn gevonden. Als Tarrou hem probeert te troosten met de opmerking dat iedereen nu in hetzelfde schuitje zit, reageert de man dat dat nu juist het punt is. ‘Nu zijn we net als iedereen.’

Besmetting

Nu zijn we net als iedereen. Misschien is het daarom dat Daniel Defoes driehonderd jaar oude Journal of a Plague Year – een van de inspiratiebronnen voor Camus – amper te lezen valt zonder parallellen te zien met onze eigen tijd. Defoe vermomde zijn roman als het dagboek van een zadelmaker die in Londen achterblijft wanneer de stad in 1665 door pest getroffen wordt, compleet met statistieken over de oplopende dodentallen. Hij deed dat zo overtuigend dat zijn verhaal nogal eens werd aangezien voor non-fictie, maar er was dan ook het nodige onderzoek voor gedaan. Wie Defoe leest, weet dat hamstergedrag niets nieuws is, al evenmin als de verspreiding van paniekverhalen.

Rond Defoes tijd werd het toen nog nieuwe verschijnsel van de roman zelf ook beschouwd als een uiterst besmettelijk virus. Voor het eerst maakte de boekdrukkunst het mogelijk om romans op grote schaal te publiceren. Er kwamen rondreizende bibliotheken en het geletterde deel van de bevolking groeide explosief. Critici vreesden de oncontroleerbare verspreiding van ideeën. Vooral vooruitstrevende boeken en revolutionaire pamfletten zagen ze als een ‘morele pestilentie’, net als romans die uit het buitenland kwamen. Je kunt je voorstellen hoe er gedacht werd over bibliotheken, waar schadelijke ideeën door jan en alleman konden worden uitgewisseld. ‘„Raak ze niet aan, pak ze niet aan”, moet op elk fictiewerk worden geschreven, of de plaag kan nooit meer worden uitgeroeid’, waarschuwde een religieus tijdschrift.

De roman als epidemie was meer dan een metafoor. Besmetting was namelijk nooit alleen lichamelijk. In Defoes tijd woedde er een verhit debat tussen de mensen die ervan overtuigd waren dat epidemieën werden veroorzaakt door slechte lucht of miasma, en de contagionisten, die de oorzaak van besmettingen zochten in het directe contact tussen mensen. Waar ze het wél over eens waren: dat verbeelding zelf een dodelijk effect kon hebben. Een verbeelding die op hol sloeg door verhalen over ziektes kon het lichaam verzwakken en uitputten, en zo kwetsbaarder maken voor bijvoorbeeld gele koorts. Dus waren experimenten met verbeelding een serieuze zaak voor artsen uit die tijd. Hoe een epidemie beschreven werd, zou de ziekte kunnen helpen of juist afremmen. Want waar de strijdende partijen het niet eens konden worden over de exacte oorzaak, was één woord algemeen genoeg om de verschillen te overstijgen: communicatie. Er bestond geen absoluut verschil tussen de communicatie van verhalen of van ziektes – beide waren onzichtbare, mogelijk schadelijke elementen, die het lichaam ongezien in gingen en weer verlieten.

Als ziekte stands- en machtsverschillen op kan heffen, doet het idee van besmetting meestal juist het tegenovergestelde. Dat gaat immers over iets onzuivers, gevaarlijks dat het lichaam of de gemeenschap binnendringt. In onze tijd valt een boek als Alleen de bergen zijn mijn vrienden (No Friend but the Mountains), waarin de Koerdische vluchteling Behrouz Boochani zijn opsluiting in Manus Prison beschrijft, heel goed als quarantaineliteratuur te lezen. Boochani en zijn lotgenoten worden opgesloten in de hoop dat dat voorbeeld andere vluchtelingen zal ontmoedigen, alsof ze zelf een ziekte zijn. Ook dat is niet nieuw. Destijds zagen de aanhangers van besmetting door miasma die slechte lucht vooral optreden in de arme wijken. Dat was niet per se onredelijk, want de omstandigheden daar waren inderdaad uitstekend geschikt voor de verspreiding van ziektes als cholera. Maar erachter schuilt een specifiek idee over de sociale orde. Vooral in oudere fictie over epidemieën wijzen personages nogal eens naar de buitenlanders die de ziekte hebben ingevoerd. In Charles Brockden Browns Ormond gaat het bijvoorbeeld over de Franse vluchtelingen, die tijdens het schrikbewind na de Revolutie naar Philadelphia zijn gekomen. Zij moeten de gele koorts wel met zich mee hebben gebracht, en vervolgens hebben verspreid met hun neiging maar wat rond te hangen. Het is de enige verklaring voor het feit dat zo’n grove ziekte deze stad getroffen heeft, die tenslotte een gezonde lucht heeft en ‘een perfect functionerende politie’.

In leven

In 1985 publiceerde The New York Times de resultaten van een opiniepeiling over een ziekte die destijds in de VS bekend stond als de ‘gay plague’. Van de respondenten ondersteunde eenenvijftig procent een quarantaine voor AIDS-patiënten, en vijftien procent zou willen zien dat AIDS-patiënten getatoeëerd werden. Een epidemie waarvan de oorzaken, overdracht en oplossingen nog onbekend zijn, kan het slechtste in mensen naar boven brengen. Maar ook het beste.

José Saramago schreef De stad der blinden om degenen die het zouden lezen eraan te helpen herinneren ‘dat we de rede perverteren als we het leven vernederen, dat menselijke waardigheid dagelijks met voeten wordt getreden door de machtigen van onze wereld, dat de mens stopte zichzelf te respecteren toen hij het respect verloor waarop zijn medeschepels recht hebben.’ Zijn roman staat vol met wreedheden: wanneer de blinden in quarantaine tot elkaar veroordeeld zijn, neemt het recht van de sterkste al snel de overhand. Toch is Saramago’s verhaal uiteindelijk optimistisch: blind geworden nemen de getroffenen het onrecht waar dat hen niet opviel toen ze nog konden zien.

Lees ook: Troost, afleiding en inzicht: lezen in tijden van epidemieën

Elke quarantaine is een proefopstelling voor menselijk gedrag, een snelkookpan van onze samenleving waarin alle uitersten zichtbaar worden. Dat is misschien wel de grootste gemene deler in quarantaineliteratuur; harteloos egoïsme en extreem altruïsme bestaan er naast elkaar. Tragisch is het wanneer juist altruïsme schadelijke gevolgen heeft, zoals in Nemesis van Philip Roth. Daarin verspreidt de schijnbaar kerngezonde speelplaatsleider Bucky Cantor zelf polio onder de kinderen die hij onder zijn hoede heeft. Achteraf beseffen dat je zelf de besmettingshaard bent geweest is misschien wel het tegenovergestelde van een cosy catastrophe: Cantor komt er nooit meer overheen. ‘Elk van ons moest ermee tevreden zijn uitsluitend per dag te leven, alleen onder de uitgestrekte onverschilligheid van de lucht’, schrijft Camus. We zijn niet alleen, maar er is veel wat we niet weten – en een van die dingen is hoe we zullen reageren op het moment dat het er echt toe doet.

Het begint altijd met iets kleins. Het eindigt met een dalend dodental en dan een verbaasd terugkijken, met mensen die de straten op gaan en cafés die zich weer vullen. Het eindigt met geliefden die elkaar weer kunnen zien en aanraken, met alles wat eerder zo gewoon was en nu opeens weer bijzonder. En daarna, sneller dan verwacht, met het vergeten van dat alles, als het dagelijks leven zich hervat.

Wytske Versteeg publiceerde in 2015 de roman Quarantaine. Haar nieuwste boek is de essaybundel Verdwijnpunt, vorige maand verschenen bij Querido.