foto: Frank Ruiter

Interview

‘Je kunt zo gemakkelijk doen alsof je rijk bent’

Lunchinterview Mariët Meester (61) proefde voor haar nieuwe boek van het luxe leven in vijfsterrenhotels, terwijl ze zelf relatief sober leeft. „Wij worden betaald in vrijheid en applaus.”

Niet een of twee, nee, zés herdershonden rennen me blaffend tegemoet over het modderige weggetje dat vanaf het Zandpad langs de Utrechtse Vecht een kilometer de weilanden in loopt, naar het boerenerf waar de woonwagen van Mariët Meester staat. „Ze doen niets”, roept ze al van verre op haar fiets. Haar lange haren wapperen in de wind. Godzijdank, ze komt me halen. Ik mag op de bagagedrager en daar gaan we, slalommend langs plassen en kuilen, voorbij half ingestorte boerenschuren en bergen roestend landbouwgereedschap, de hellehonden achter ons aan, tot aan de verwilderde beukhaag die haar lapje grond scheidt van de rest van de wereld. In haar tuintje bloeit de maagdenpalm.

Het is niet vanwege corona dat we hier lunchen. De horeca is nog open op de dag dat we elkaar spreken, anderhalve week geleden. Maar ik wilde zien waar haar nieuwe roman, Pingping, zich afspeelt en was er zo van overtuigd dat ze daarin de werkelijkheid beschrijft, dat ik vanaf station Breukelen rechtstreeks en zonder aarzelen naar de vrouwengevangenis in Nieuwersluis was gewandeld. Op het boerenerf daarachter staat de woonwagen van Lily, de hoofdpersoon van Pingping. Suf natuurlijk. Lily is Mariët niet en de woonwagen waar ik moet wezen, is een halfuur wandelen terug.

Pas als ik er ben, herinner ik me dat ik er eerder ben geweest, meer dan dertig jaar geleden, toen Mariët Meester (61) hier nog zomer en winter woonde, met haar vriend (nu man) Jaap de Ruig (62), fotograaf en videokunstenaar. Ze schreef toen haar roman Sevillana, waarmee ze in 1990 debuteerde. Sevillana was de naam van het ezeltje waarmee de hoofdpersoon van dat boek een trektocht door Andalusië maakt, op zoek naar geestelijke verrijking en innerlijke rust. Mariët Meester vertelde me, dat weet ik nog wel, over de trektocht die ze zelf met haar Jaap door Frankrijk had gemaakt, in een houten woonwagentje met een paard ervoor, op z’n allerprimitiefst. Het was haar stage voor de opleiding tot beeldend kunstenaar aan de Academie Minerva in Groningen. Jaap de Ruig had daar ook op gezeten, maar was afgehaakt en werkte als geitenhoeder en boerenknecht.

Ze waren gevormd door de Club van Rome, zegt Mariët Meester nu. De 36 wetenschappers die in 1972 schreven dat we niet maar konden doorgaan met groeien ten koste van het milieu. Een en al doemscenario, dat nog versterkt werd door de oliecrisis van 1973 en de autoloze zondagen die daarop volgden. In Nederland zei premier Den Uyl op de televisie dat de wereld nooit meer hetzelfde zou worden. „Wij namen dat allemaal heel serieus”, zegt ze, roerend in een pan zelfgemaakte champignonsoep. „Dus wij aten biologisch en vegetarisch, we gingen nooit autorijden, laat staan vliegen. We hadden zelfs besloten dat we geen kinderen gingen krijgen.” Die zijn er ook nooit meer gekomen.

Deftige uitstraling

In Pingping, dat zich in deze tijd afspeelt, heeft Lily (42, kinderloos) gebroken met haar stadse leven en onderzoekt ze in haar eenzaamheid hoe het is om van bijna niets te leven, zonder wc, zonder douche, zonder wifi. Ze ziet dat de argeloze boerin bij wie ze op het erf staat de dupe wordt van criminelen die haar stal gebruiken voor op- en overslag van cocaïne – „dat soort dingen gebeurt dus echt” – en haar ook nog al haar geld afhandig maken. Lily gaat naar de Miljonair Fair in de RAI en het vijfsterrenhotel Miramar in Málaga om de extreme luxe van díé wereld te onderzoeken, en Mariët Meester beschrijft dat allemaal met een schaterlach. Ja, zelf is ze voor dit boek ook naar de Miljonair Fair geweest, Masters of LXRY, en naar Miramar. „Genóten. Zo apart om te merken hoe gemakkelijk je kunt doen alsof je rijk bent. Ik had een tweedehands jasje aan van zes euro en een jurk die ik al tien jaar heb. Loop je daar gewoon een beetje zelfverzekerd door de gangen en iedereen neemt je serieus.”

Lees ook dit artikel dat Mariët Meester schreef voor NRC: Hoe je met weinig geld heel rijk kan zijn

Ze heeft een deftige uitstraling, dat scheelt. Haar vader was het hoofd van de lagere school in Veenhuizen, meester Meester. Veenhuizen, op het Drentse platteland, was toen nog echt een gevangeniskolonie, met op de huisjes opschriften als WERK EN BID en ORDE EN TUCHT. Word daar als een gevoelig klein meisje maar eens niet moralistisch van. Veenhuizen heette ook wel Hollands Siberië, zo ver weg was het van alles en iedereen, en in die eenzaamheid zat ze als kind altijd te lezen. „Hele bibliotheken.” Later zou ze nog vaak over dat Hollandse Siberië schrijven, fictie en non-fictie, maar níét Het pauperparadijs. De schrijver van dat boek heet Suzanna Jansen. „We worden voortdurend met elkaar verward”, zegt Mariët Meester. „Dat is weleens vervelend.” En ja, zo’n doorslaand succes zou zij natuurlijk ook best eens willen meemaken.

De champignonsoep is op, de zelfgebakken appeltaart komt op tafel, met een kopje groene thee. Bij de presentatie van haar boek, een paar weken eerder, vertelde ze dat Jaap en zij nu, tegen de tijdgeest in, wel vliegen en autorijden. Ze wonen alleen nog ’s zomers of bij mooi weer in hun woonwagen zonder wc, douche en wifi (maar wel met een wit geëmailleerde potkachel, een pluchen chaise longue en aan het plafond een bij de vuilnisbak gevonden kroonluchter). Ze huren al jaren een etage in de Rivierenbuurt in Amsterdam. „Zoals wij dertig jaar geleden leefden”, zegt ze, „dat had gewoon te veel nadelen. We waren de hele dag bezig met houthakken en water halen. Mensen denken dat je je moreel superieur voelt en dat keert zich tegen je. Je komt overal buiten te staan en dan wordt het gewoon dóm. Je wilt een mooi leven hebben en geen zuurpuim zijn, met zo’n samengeknepen mondje.” Ze doet het even voor. „Je redt de wereld er ook niet mee.”

Dus eten ze af en toe vlees voor hun gezondheid, doen ze de helft van de boodschappen bij de Aldi in plaats van bij de Ekoplaza, en haalde Jaap op zijn drieënveertigste zijn rijbewijs. Ze kochten een busje, maakten er een bed en een aanrechtje in, en gingen daarmee door Europa reizen, vooral door Roemenië en Spanje, om te fotograferen en te schrijven. „Ik vond het meteen fantastisch”, zegt ze. Veel van haar boeken zijn in die landen gesitueerd en gaan over de mensen daar. Met dat busje is het trouwens niet goed afgelopen, want er zat een dieselmotor in, en vanaf 2017 mocht die Amsterdam niet meer in. „Ons goddelijke busje was precies een maand te oud. Moesten we het van die rotzakken van GroenLinks wegdoen, en ik had nog wel op ze gestemd.” Blijft ze heus wel doen, hoor. Maar wat ze heel stom vond: dat ze geen slooppremie kregen, zoals in Rotterdam en Utrecht. Dus werd het busje verkocht en sindsdien rijdt het rond in Winterswijk. Ze hebben nu een Volkswagen up!, de kleinste en zuinigste die er is. Achterin liggen de vouwfietsen en de picknickmand. En vliegen? „Eén keer per jaar.” En op het moment helemaal niet, want Mariëts vader, de oude meester Meester, is 91 en woont alleen sinds Mariëts moeder is overleden. Ze wil niet te lang en te ver bij hem vandaan zijn.

‘Iedereen klapt, dat is toch heerlijk?’

Een vaste baan heeft ze nooit gewild en de bijbehorende relatieve soberheid nam ze voor lief. Of nee, het interesseerde haar niet. „Wij worden betaald in vrijheid en applaus”, zegt ze. „Iedereen klapt voor mij als ik een lezing geef, dat is toch heerlijk? Vorige week kreeg ik er ook nog eens vijfhonderd euro voor. Vijfhonderd euro!” Haar boeken, zegt ze, worden tegen de trend in steeds beter verkocht. „Koloniekak, in opdracht van Het Drentse Boek, niet eens mijn beste, négenduizend exemplaren. En het loopt nog steeds.”

Lees ook: Wéér die hoeren, weg met #MeToo in de boekenkast

Met Pingping heeft ze het bij wijze van experiment anders aangepakt dan gewoonlijk: ze heeft er met Jaap een uitgeverij voor opgericht – Caprae, geit in het Latijn – en het zelf uitgegeven. Harde kaft, stofomslag, leeslint, genummerd, gesigneerd, schutblad met een handmatig ingekleurd vogeltje. Het begon, zegt ze, met het boek Material Matters van de econoom Sabine Oberhuber en de architect Thomas Rau. „Daarin stond dat negentig procent van alle spullen eindigt als afval en dat je dit boek, als je het uit had, moest doorgeven. Heb ik niet gedaan, maar ik bedacht wel dat we van Pingping duizend exemplaren zouden drukken, niet meer, dat paste goed bij het onderwerp. Als ze op zijn, stopt het. Dan kun je het alleen nog lezen als e-book of in de bibliotheek.” Komt bij dat ze weleens wat meer wilde overhouden aan de verkoop van haar boeken. Bij een reguliere uitgeverij krijgt de auteur tien procent, nu is de hélft van de opbrengst voor haar. Ja, de investering was hoog, en het risico groot, een gigantische gok eigenlijk. „Maar voor een schrijver is het risico altijd groot. Je werkt twee jaar aan een boek en je moet maar zien of je er wat van verkoopt.” En? Hoe loopt het? „We zijn al best ver, over de helft. Na een week waren we uit de kosten.” Ze straalt van trots. „Zaterdag waren we hier aan het werk en ’s avonds keken we op de site van het Centraal Boekhuis, daar kunnen we nu in, en we zagen dat we die dag weer zes boeken hadden verkocht. Zes keer vijftien euro! We worden slapend rijk!” Maar voor haar volgende boek heeft ze wel gewoon weer een contract getekend bij haar vaste uitgever, De Arbeiderspers. Nee, ze wil niet zeggen waarover ze deze keer gaat schrijven.