Recensie

Recensie Boeken

Het goede leven in de onderwereld van Warschau

Szczepan Twardoch Het kwaad fascineert, zeker als het door Szczepan Twardoch (1979) beschreven wordt. In zijn nieuwe roman komt de hoofdpersoon terecht in een draaikolk van crimineel en politiek geweld.

Een straat in Warschau.
Een straat in Warschau. Getty Images

Het begin van De koning van de Poolse schrijver Szczepan Twardoch (1979) is groots in zijn eenvoud. Warschau, 1937. Twee boksers staan in de ring. Ze zijn niet alleen opponenten in de klasse zwaargewicht, ze zijn maatschappelijke tegenpolen die elkaar spoedig op leven en dood zullen bevechten – maar nu is hun strijd nog sport. Andrzej Ziembinski is een ‘arische halfgod’ uit de hogere sociale klassen, helblond en blauwogig. Tegenover hem staat de Jood Jakub Shapiro, ook een mooie man, maar met harde, grove trekken. Shapiro slaat Ziembinski knock-out, tot vreugde van zijn supporters, die beseffen dat Jood-zijn in Polen niet per se betekent dat er op je neergekeken wordt.

Het ingewikkelde is dat Shapiro behalve een begenadigd bokser ook een meedogenloze gangster is. Zo heeft de verteller van dit verhaal, de armoedzaaier Moisje Bernstein, gezien hoe zijn vrome vader door Shapiro aan zijn baard het huis uit is gesleurd omdat hij zijn afpersers niet kon betalen. Later wordt hij in stukken gesneden teruggevonden.

Toch is ook de 17-jarige Moisje gevoelig voor Shapiro’s charisma. Hij accepteert dat Shapiro hem onder zijn hoede neemt. Moisje laat zijn orthodoxe slaaplokken afknippen, gaat trainen in de bokszaal, er wordt hem een pak aangemeten, en wanneer hij een afspraakje heeft, krijgt hij van Shapiro diens horloge om de pols.

Shapiro is de rechterhand van Jan Kaplica, de heerser in het criminele milieu van de Joodse buurt in Warschau. Ook Kaplica is op zijn manier een held, hij heeft zijn sporen verdiend als houwdegen van de Poolse Socialistische Partij. Door Moisjes ogen zien we hoe een werkdag voor Kaplica eruitziet: in je maatpak mensen aftuigen, protectiegeld opstrijken, prostituées beschermen én ruw bezitten, en intussen wodka, haring en cocaïne innemen.

Het goede leven in de onderwereld wordt echter bedreigd door politieke tegenstellingen. Poolse fascisten bereiden, aangemoedigd door Hitlers successen, een staatsgreep voor. Een onderdeel van hun plan is het in een detentiekamp opsluiten van de machtsfactor Jan Kaplica, waarna de afrekeningen elkaar snel opvolgen. Om aan de draaikolk van crimineel en politiek geweld te ontsnappen ziet Shapiro maar één uitweg: emigreren naar Palestina.

Het kwaad fascineert, zeker als het door Szczepan Twardoch (1979) beschreven wordt. De afgetrainde stijl van de Poolse bestsellerauteur maakt het geweld zeer aanschouwelijk: ‘Hij liep naar Borowski en gaf hem een opstoot in zijn plexus, snel en kort als een slangenbeet’. En de dialogen zijn recht voor zijn raap: ‘Stel me niet teleur, Borowski. Want dan kunnen ze je in stukken uit de leemgroeve vissen en word je in je kist alleen nog bij elkaar gehouden door je kloffie.’

Storend is wel dat Moisje telkens een potvis in de hemel boven Warschau ziet zweven. Twardochs talent ligt in fel realisme, en de pretentieuze symboliek van deze zinsbegoocheling, verwijzend naar Moby Dick en Jona en de walvis, had iemand hem uit het hoofd moeten praten. De zwakte van de roman lijkt aanvankelijk in het vertelstandpunt te liggen. We moeten geloven dat het verhaal op een typemachine wordt getikt door Moisje Bernstein, inmiddels gepensioneerd brigadegeneraal in Tel Aviv, maar zijn terugblik is soms ongeloofwaardig.

Pas op driekwart blijkt hoe het werkelijk zit, en welke keuzes hij in zijn leven heeft gemaakt – deze ingenieuze verhaalwending plaatst het leven van Shapiro in een ander licht. Wat een verkapte lofzang op mannelijkheid en lichamelijkheid leek te zijn, blijkt dan een tragische vertelling waarin de Tweede Wereldoorlog zijn schaduw vooruitwerpt. In die Joodse wijk waar onze stijlvolle gangster opereert, zal drie jaar later het getto van Warschau worden ingericht. Die vlucht naar ‘palmbomen en zee en sinaasappels’ waartoe Shapiro zich laat overhalen, is nog veel belangrijker dan beiden denken. Het is een kwestie van lijfsbehoud. Maar dan moeten ze wel zorgen dat ze ook echt in het vliegtuig richting Palestina zitten.