Er is een havik komen wonen in Rotterdam

Berichten uit Bureau Stadsnatuur Er is nogal wat te zien als je nu omhoog kijkt. Sinds eind vorige eeuw zijn er steeds meer roofvogels te vinden in de stad. En vooral in deze tijd levert dat interessante luchtacrobatiek op.

Dat verplichte thuiswerken komt op een goed moment, zegt André de Baerdemaeker. Als je tenminste zorgt dat je steeds een verrekijker bij de hand hebt. „Ik begrijp sowieso niet waarom niet bij iedereen een verrekijker in de vensterbank staat”, zegt de ecoloog van Bureau Stadsnatuur vanaf zijn thuiswerkplek in het oosten van de stad.

Dit is namelijk dé tijd dat de roofvogels in de stad zich roeren, zegt De Baerdemaeker. Ze hebben de lente in hun kop en zoeken de beste nestplekken en partners. De mannetjes knokken om territorium, de vrouwtjes om de beste mannetjes – namelijk die met het beste territorium. Roofvogels zijn van nature schuw, maar toen de vogelstand zich eind vorige eeuw begon te herstellen na de pesticiden-crisis, hebben ze ook de stad en de stadsranden opgezocht.

Rattengif komt ook terecht in andere dieren

Je zou op een dag als vandaag bijvoorbeeld heel goed een verzameling buizerds in de lucht kunnen zien hangen, die proberen elkaar af te bluffen met diepe vleugelslagen of sporadische uithalen naar de concurrentie. Zo’n verzameling ontstaat, zegt De Baerdemaeker, als er een buizerd opvliegt uit zijn territorium (liefst een hoge boom in een goed muizenterrein), bijvoorbeeld omdat er een onbekende buizerd langskomt. Zijn buren komen dan ook omhoog om te kijken wat er aan de hand is, en vaak zijn de schermutselingen nog bezig als de indringer allang weer vertrokken is. „Buizerds zijn bezitterig, territoriumeigenaren blijven rondhangen in de lucht, mauwend, om te laten zien ‘dit is bezet’.”

Buizerds wonen aan de rand van de stad, maar slechtvalken bijvoorbeeld ook echt in het centrum. In ‘99 is in Rotterdam het eerste broedpaar gezien, en in 2005 lag het eerste ei op de Hef. Er zitten ook al een jaar of tien slechtvalken in het logo op de gevel van het Erasmus MC. Toen daar onlangs een nietsvermoedende sperwer langskwam, werd hij door de slechtvalken krijsend verjaagd. „Ze zitten graag in logo’s. Die zijn hoog, om goed zichtbaar te zijn, en dat betekent dat je ook goed uitzicht hebt.

De slechtvalk is de luchtmacht van de vogelwereld. Ze halen tijdens duikvluchten snelheden tussen de 200 en 300 kilometer per uur – hoe snel precies, daar zijn de deskundigen het niet over eens.” Die snelheid is nodig om duiven te kunnen onderscheppen. „Duiven hebben de naam van plompe patatjespikkers, maar ze zijn heel snel”, zegt De Baerdemaeker. „Ik las ooit dat ze als de ‘gazelles van het luchtruim’ werden beschreven.” Het zijn die scharrige exemplaren in het centrum die ze een slechte naam bezorgen.

Een havik duikt ook een struik in om zijn prooi te volgen – zo nodig gaat hij hem zelfs te voet achterna

Het Bureau Stadsnatuur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam is bezig met het bestuderen van roofvogels in de stad, nu er veel gebaltst en gevochten wordt in het luchtruim. Dat doen ze eigener beweging, maar ook vaak in opdracht van de gemeente. Roofvogels zijn stevig beschermd, en hun nestplaatsen kunnen niet zomaar worden weggehaald als er bomen moeten worden gekapt. De gemeente wil dus weten wat er zit, en waar.

Naast de ‘mauwende’ buizerds, slechtvalken en sperwers zijn er in Rotterdam ook boomvalken, torenvalken, en een bruine kiekendief. Maar sinds kort ook, en dat is bijzonder, zegt De Baerdemaeker, een havik. „In het Kralingse bos zijn voor het eerst jonge haviken grootgebracht vorig jaar.” De havik is groot, van het formaat van de buizerd, en hij eet dieren als kauwen, duiven en konijnen. De ecoloog noemt hem een „struikrover”. „Hij cirkelt omhoog en stort zich dan omlaag op zijn prooi. En anders dan de slechtvalk, die ook zo jaagt, duikt een havik fanatiek een struik in om zijn prooi te volgen – zo nodig gaat hij hem zelfs te voet achterna.” Andere vogels hebben ook veel ontzag voor de havik. Als die verschijnt, zie je overal vogels omhoog vliegen, zegt De Baerdemaeker, liefst tot bóven de havik; het is nu eenmaal makkelijker om een prooi naar beneden te vangen.