Recensie

Recensie Boeken

De Koude Oorlog: wie de bijrol en wie de profiteur?

Geschiedenis Het belangrijkste twistpunt in de geschiedschrijving over het einde van de Koude Oorlog betreft de vraag wiens aandeel het grootste was. Gorbatsjov of Reagan? En voor wie was de belangrijkste bijrol: Thatcher of Kohl?

1987: Sovjet-leider Gorbatsjov (midden) en zijn vrouw Raisa (links) na een bezoek aan de Amerikaanse president Reagan in Washington.
1987: Sovjet-leider Gorbatsjov (midden) en zijn vrouw Raisa (links) na een bezoek aan de Amerikaanse president Reagan in Washington. Foto Wally McNamee

De Franse president Mitterrand (1981-1995) zei over de Britse premier Thatcher (1979-1990): ze heeft de ogen van Caligula en de mond van Marilyn Monroe. Archie Brown, emeritus hoogleraar politieke wetenschap in Oxford, vermeldt deze uitspraak niet in zijn The Human Factor. Gorbachev, Reagan, and Thatcher, and The End of the Cold War. De verklaring moet zijn dat deze Britse auteur geen Franstalige bronnen leest.

Dat is jammer want de eigensoortige charme die Mitterrand bekoorde, zal Thatcher zeker ook hebben geholpen in het cultiveren van de intensieve contacten (‘de menselijke factor’) met Sovjet-partijleider Gorbatsjov (1985-1991) en de Amerikaanse president Reagan (1981-1989). Die banden waren zelfs zo hecht dat Brown haar een hoofdrol toedicht in het einde van de Koude Oorlog. Van beslissende betekenis voor die uitkomst was volgens hem de ‘driehoeksrelatie’ tussen een dame en twee heren.

De kennelijke poging van Brown om een nieuwtje te brengen, met de Britten in een vooraanstaande rol, overtuigt niet. Het is waar dat Thatcher op basis van goede persoonlijke verhoudingen de partijleider en de president adviseerde en stimuleerde. Maar het waren deze twee hoofdrolspelers who called the shots. De Amerikaanse president deed dat door in eerste instantie de economische en militaire druk op te voeren en later in te gaan op de toenaderingspogingen van Moskou. Gorbatsjov aan de andere kant gaf de stoot tot een hervormingsprogramma (glasnost en perestrojka) dat na verloop van jaren het onbedoelde resultaat had dat het communistische systeem werd ontmanteld.

Het belangrijkste twistpunt in de geschiedschrijving over het einde van de Koude Oorlog betreft de vraag wiens aandeel het grootste was. In deze discussie geeft Brown, voor zover hij niet probeert Thatcher in een hoofdrol te plaatsen, de voorkeur aan Gorbatsjov, over wie hij al eerder een bewonderende biografie schreef (The Gorbachev Factor, 1996).

Wat Brown in zijn nieuwe boek ook miskent, is dat zelfs de belangrijkste bijrol niet was weggelegd voor Thatcher, maar voor de Duitse bondskanselier Helmut Kohl. Dat was al het geval voordat de Duitse eenwording na de val van de Berlijnse Muur in november 1989 een groot thema werd. Kohl was in 1983 verantwoordelijk voor de door Reagan toegejuichte plaatsing op Duits grondgebied van Pershing-II raketten, een besluit dat de westerse machtspositie belangrijk versterkte. Brown, die ook geen Duitstalige bronnen leest, verzuimt deze daad van Kohl ook maar te noemen. Zijn omslachtig geschreven betoog is een geforceerde exercitie om het Verenigd Koninkrijk groter te maken dan het was.

Het einde van de Koude Oorlog

Het boek van Brown eindigt waar The Age of Illusions. How America Squandered Its Cold War Victory van Andrew Bacevich begint: bij het einde van de Koude Oorlog. Deze auteur, oud-beroepsofficier en emeritus hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Boston is vooral bekend om zijn The Limits of Power (2008), een pleidooi voor Amerikaanse zelfbeheersing in de internationale arena.

In dit nieuwe boek, speels en puntig geschreven, citeert hij romanschrijver John Updike, die hoofdpersoon Harry ‘Rabbit’ Angstrom in Rabbit at Rest (1990) laat verzuchten: ‘Without the Cold War, what’s the point of being an American?’ De strijd tegen het communisme gaf richting en zin aan het bestaan van de natie.

Maar wat is er terechtgekomen van de Amerikaanse ‘overwinning’? Deze victorie is volgens Bacevich’ The Age of Illusions uitgelopen op een grote deceptie. Dit boek is een geslaagde combinatie van eigentijdse geschiedschrijving en commentaar op de actualiteit. Geen makkelijk genre, maar Bacevich schept met vaste hand orde in de chaos van de afgelopen dertig jaar.

In 1990 was er nog maar één supermacht, die zelfs een ‘hypermacht’ werd genoemd. Een kompas dat aangaf hoe de Amerikaanse dominantie op een verstandige manier kon worden gebruikt, respectievelijk hoeveel terughoudendheid geboden was, ontbrak. Dronken van succes gleden de Verenigde Staten volgens Bacevich af naar een even ondoordachte als onoverzienbare missie. ‘Globalization’ had als doelstelling: een opening van internationale markten die een forse stimulans aan de economische groei moest geven. Maar na enkele decennia was duidelijk dat deze politiek vooral averechtse gevolgen had. In Amerika zelf was sprake van groeiende inkomensongelijkheid, sluiting van fabrieken en het wegvloeien van banen naar goedkoop producerende landen. Internationaal waren niet de Verenigde Staten, maar was China de grote profiteur van deze globalisering, zozeer zelfs dat deze natie inmiddels als een gevaarlijke rivaal wordt gezien.

De tweede component van de buitenlandse politiek, die vooral na 11 september 2001 zichtbaar werd, was ‘enlargement’: verspreiding van de democratie met desnoods militaire middelen. Ook hier bestond het resultaat uit een zwaar geval van blow back. De Amerikanen werden het moeras van Afghanistan en Irak ingetrokken. In de asymmetrische strijd tegen het islamitische terrorisme bleek militaire overmacht hoogstens in beperkte mate resultaten op te leveren.

In de binnenlandse verhoudingen gaf het einde van de Koude Oorlog een forse impuls, zeker onder het verlichte deel van de natie, aan de jacht op zelfbeschikking. Groeperingen die zich achtergesteld voelden (Afro-Amerikanen, vrouwen, homoseksuelen, etc.) kwamen met emancipatie-eisen die vaak uitliepen op een luidruchtige ‘identiteitspolitiek’. Het gevolg was een fanatieke loopgravenstrijd tussen het progressieve bevolkingsdeel en het conservatieve Amerika dat vast wilde houden aan de traditionele waarden van gezin, religie en nationale trots. Elk gevoel van gemeenschappelijkheid verdampte, het centrum raakte verschrompeld, polarisatie bepaalde weldra het maatschappelijke en politieke klimaat.

En toen, schrijft Bacevich, gebeurde het: ‘the moment met the man’. Bij de presidentsverkiezingen van 2016 voelde de outsider Trump feilloos aan hoe hij kon oogsten in een natie die diep teleurgesteld en zwaar verdeeld was. Toch wordt deze president als gevolg van zijn lawaaierige en provocerende optreden volgens Bacevich overschat. Trump is in zijn ogen een symbool en niet de oorzaak van de schijnbaar op zelfdestructie gerichte ramkoers die Amerika is ingeslagen. Wat heeft hij voor elkaar gekregen? De benoeming van twee conservatieve rechters in het Hooggerechtshof en een belastingverlaging die vooral de rijken en bedrijven ten goede komt. Is dat niet te weinig om te worden herkozen?