Opinie

Klappen

Ellen Deckwitz

Dinsdagavond werd mijn zus het dak op gesleept door haar zoons (13 en 11). Ik liep erachteraan met haar jas – je wilt in dit soort tijden geen verkoudheid oplopen. „Doe nou”, mopperde de oudste, „het is bijna acht uur.”

En alsof dat het startschot was, barstte er onder ons een wolkbreuk aan applaus los. De neefjes joelden en klapten vurig mee, hun moeder deed niets. Ik keek om me heen, de balkons waren gevuld met gezinnen en geliefden, er werd vuurwerk afgestoken, het leek wel Nieuwjaar, of op z’n minst een omgekeerde Dodenherdenking.

Mijn zus keek er chagrijnig naar.

„Typisch Nederland”, mopperde ze, „applaus is hier niets waard, dat kan elke theaterbezoeker je vertellen. Pleng een traan op het podium en de hele zaal komt meteen klaar. We lijden al decennia aan een ovatie-inflatie.”

Ik wilde daar iets op zeggen, maar ze was me voor.

„Esmé van hiernaast werkt in het AMC en draait inmiddels diensten van twaalf uur. Die heeft er niets aan dat iedereen nu klapt. Die wil liever aan het einde van de dag boodschappen kunnen doen in een supermarkt die niet is leeggeroofd. Dit geklap is louter voor de klappers zelf.”

„Doe niet zo cynisch”, mompelde ik. Mijn zus pakte Twitter erbij, waar inmiddels ook diverse politici het massa-applaus toejuichten.

„En heel Den Haag maar meehuichelen, terwijl slechts een paar maanden geleden de zorg op het Malieveld stond en geen gehoor kreeg. Ik heb er genoeg van”, zei ze.

‘Maar ergens is dat applaus ook wel weer hoopvol, toch?”, probeerde ik, „dat we met z’n allen dit doen?”

„Een applaus is een manier om goedkeuring te tonen. Terwijl onze goedkeuring geen bal meer uitmaakt. We klappen zodat we in onze onmacht onszelf kunnen wijsmaken dat we nog iets waardevols doen. We klappen om de grotere klappen te overstemmen. Voor een sector waar we blijkbaar alleen in crisistijd massaal onze waardering voor kunnen laten blijken.”

Ik sloot mijn mond. Mijn neefjes trokken zich niets aan van hun moeders humeur en klapten alsof hun leven ervan afhing. De huid op hun handen was al een paar dagen dof, uitgedroogd van het vele wassen. Ik stelde me even voor dat door het geklap die witte waas zou loslaten en er een aureool van huidschilfers rond hun handen zou opstuiven. Dat er vanaf de balkons sneeuw naar beneden zou dwarrelen, een enorme wolk aan dode huidcellen die de stad zachtjes zou toedekken, haar instopte onder een tere deken van goede bedoelingen.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.