Kunstenaar Peter Schuyff was een ster, in de New Yorkse kunstscene van de jaren tachtig: „Ik had meer kunnen schilderen.”

Foto Theo Christelis

Interview

‘Ik ben altijd een eenling geweest’

Schilder Peter Schuyff maakte in de jaren tachtig de bruisende kunstscene in New York mee. Nu is er opnieuw grote belangstelling voor zijn geometrische werk.

De jaren tachtig in New York City waren voor de kunstscene een bruisende en tegelijk heftige tijd. Andy Warhol werkte nog steeds in zijn Factory, terwijl jonge helden als Jean-Michel Basquiat en Keith Haring hard aan de weg timmerden – en alle drie stierven ze voordat het decennium goed en wel voorbij was. De kunstmarkt beleefde gouden tijden, met Jeff Koons als de grootste golden boy. In clubs als CBGB’s en Studio 54 kon eindeloos gefeest worden, maar de aidsepidemie en overmatig drugsgebruik kostten ook velen het leven.

De in Nederland geboren kunstenaar Peter Schuyff (Baarn, 1958) bevond zich in het oog van de storm toen hij in 1980 van Vancouver naar New York verhuisde. Al snel werd hij een centrale figuur in de kunstscene van de East Village. Hij werkte een tijdje in Studio 54 en in FOOD, het restaurant van kunstenaar Gordon Matta-Clark. Hij poseerde voor Andy Warhol, die een zeefdruk maakte van zijn portret, en hij woonde lange tijd in het legendarische Chelsea Hotel, waar ook artiesten als Janis Joplin, Sid Vicious, Leonard Cohen en Madonna logeerden of hadden gewoond.

„Ik wist op de middelbare school al dat New York de plek was waar ik heen moest”, vertelt Schuyff, die intussen weer in Amsterdam woont. „Ik zag destijds een boek over The New York School, met kunstenaars als Larry Poons, Robert Rauschenberg en Jasper Johns. Zij hadden lofts in Soho en zagen er zo cool en sexy uit in hun skinny jeans. Ik was een jaar of zeventien en wist: dat wil ik ook en ik wil het daar.”

De werken die Schuyff in de jaren tachtig maakte, geometrische schilderijen die zinderen voor je ogen, zijn nu te zien in de Londense galerie White Cube. Na jaren van stilte is er opeens weer veel belangstelling voor die New Yorkse periode van Schuyff. In 2017 werden de schilderijen al getoond in de Kunsthalle van het Zwitserse Fribourg en Le Consortium in Dijon. Schuyff snapt die hernieuwde interesse wel: „Het blijven heel goede schilderijen”, zegt hij, zonder enige vorm van zelfspot, en met een dik Amerikaans accent. „En ik maak nog steeds goed werk. Als je dit lang doet, word je niet vergeten. Ik heb mijn sporen verdiend.”

Wat maakt die schilderijen uit de jaren tachtig zo goed?

„Ik was toen jong, stoer en onbezonnen. Mijn werken zijn beter als ik er niet te veel over nadenk. Ik wil schilderijen maken waar geen betekenis in zit. Als ik begin te denken, gaat het mis. Je moet jezelf niet in de weg zitten tijdens het schilderen. Er zat in die werken uit de jaren tachtig niet veel moeilijkheid, maar wel veel moeite. Ik werkte heel hard. Ik zeg vaak over mijn schilderijen: ze gaan over de calorieën die ik verbrand heb terwijl ik ze maakte. Hoeveel moeite erin zit, kun je eraan aflezen.”

Peter Schuyff, Untitled, 1985

U heeft in Vancouver maar één jaar op de kunstacademie gezeten. Waarom?

„Ik was al betrokken bij een kunstenaarsinitiatief en een galerie. Ik maakte exposities in mijn eigen atelier en verkocht ook al. Ik had collega’s. Dus ik vond het niet nodig om nog naar school te gaan. Ik had mezelf al op de middelbare school gevormd. Daar verslond ik oude edities van Artforum, en als ik iets cools zag, ging ik het kopiëren. Schilders als Jasper Johns of Claes Oldenburg, Jim Dine, de vroege David Hockney. Cy Twombly was een van mijn favoriete kunstenaars, met zijn linkshandige krabbels. Door hem begreep ik dat je dat kon doen, abstracte lijnen plaatsen, en dat die een intrinsieke waarde hadden, een gewicht.”

Was de Nederlandse schilderkunst, van Mondriaan en De Stijl bijvoorbeeld, een invloed?

„Jazeker. Die abstracte kunst zit in mijn genen. Vanaf het prille begin is die belangrijk voor me geweest. Ik herinner me De Stijl van de lagere school. De kleuren van de blokken, het ontwerp van de letters. Dat is me altijd bijgebleven. Later werd een kunstenaar als Sol LeWitt een voorbeeld, omdat hij kunst maakte waarbij je niet hoefde na te denken. Ik hou van dat idee, dat het werk zichzelf lijkt te maken en tegelijkertijd een lichamelijke ervaring kan overbrengen.”

Uw schilderijen zien eruit als op-art, ze vibreren en bewegen voor je ogen. Alsof er iets achter het doek zit dat het naar voren duwt. Sommige werken zijn trippy, alsof ze onder invloed van drugs gemaakt zijn.

„Ik heb eigenlijk maar één schilderij gemaakt dat direct gerelateerd is aan drugs. Er zijn wel veel schilderijen die niet bestaan ten gevolge van drugs die ik heb genomen. Ik had meer kunnen schilderen.”

Peter Schuyff, Mr America, 1984

Maakt u eerst tekeningen, of komen de composities uit uw hoofd?

„Ik maak nu eerst tekeningen op de computer. Vroeger had ik geen computer. Toen was het alsof de ideeën uit die schilderijen zelf voortkwamen. Niet uit mijn hoofd, maar uit mijn handen.”

U kwam al vroeg bij grote galeries terecht, van Larry Gagosian, Tony Shafrazi en Leo Castelli. U maakte de ‘boom’ in de kunstwereld mee. En de crisis die erop volgde. Wat vindt u van de gekte van de kunstmarkt en de hoge prijzen die nu voor uw vroege werken betaald worden?

„Ik probeer me er maar een beetje buiten te houden. Ook toen al had je grote galeries en kleine galeries. Het verschil is dat de grote galeries nu veertig of vijftig kunstenaars in hun stal hebben. Toen kende je iedereen, dat is nu echt niet meer zo.”

Hoe was het om in de jaren tachtig in New York te werken? Hoe was de ‘vibe’?

„CBGB’s was al een beetje op zijn retour. Max’s Kansas City ging in 1981 dicht. De kunstenaars die ik kende, hingen vooral rond in The Mudd Club. De muziekscene en de kunstscene mengden niet echt. Maar die punkrockers zaten wel allemaal in de East Village. Dee Dee Ramone was mijn buurman.”

U heeft geposeerd voor Andy Warhol. Hoe was dat?

„Hij heeft in 1986 een portret van mij gemaakt, vlak voordat hij stierf. Hij heeft wat foto’s van me gemaakt in The Factory en die gebruikt voor een schilderij. Mijn gezicht hangt nu in het Warhol Museum in Pittsburgh. En ik heb een schilderij met hem geruild voor mijn eigen portret.

„Wat ik me vooral herinner van The Factory, was dat ik op mijn weg naar binnen een schilderij in zwart-wit zag hangen van een ‘crowd’ op het strand van Coney Island. Ik vond dat zo’n mooi werk. Andy zei toen: zou je die niet liever willen ruilen? Ik dacht: dat komt nog wel. Dus ik zei nee. Daar heb ik later wel spijt van gehad. Wel heb ik nog een kleine Piss Painting, gemaakt met urine, en een doekje uit de Shadows-serie van hem gekregen. En ik heb een dollarbiljet uit 1964.”

Peter Schuyff, Untitled, 1984

Herinnert u zich nog waar u was toen Warhol stierf, in 1987?

„De New Yorkse kunstwereld was in die tijd maar klein, en als Andy ergens kwam opdraven, was het altijd een heisa. Toen hij stierf, was ik in Los Angeles. Dennis Hopper belde me in mijn hotel om het te vertellen. Hij was totaal overstuur. Het was een enorme schok voor ons allemaal.”

U heeft lang in het Chelsea Hotel gewoond. Werkte u daar ook?

„Ja, mijn appartement was groot genoeg om mijn woonkamer naar mijn slaapkamer te verplaatsen, zodat ik de woonkamer als atelier kon gebruiken. Maar de kosten om op Manhattan te kunnen wonen, werden steeds hoger. Het werd een levensstijl om de huur te kunnen blijven betalen. Ik heb altijd van mijn werk kunnen leven, maar het kostte steeds meer energie om daar te zijn.”

Besloot u daarom in 2006 terug te keren naar Nederland?

„Ik wilde weg uit New York, dus verhuisde ik naar Vancouver, waar ik ben opgegroeid. Maar ik raakte al na twee jaar uitgekeken op Vancouver. Ik ben nogal snel ontevreden. Het was erg mooi daar, ik had een prachtig atelier dat uitkeek over het water. Maar het was mij iets te netjes. Ik houd ervan om te roken en vloeken. Toen kwam ik erachter dat ik een Nederlands paspoort kon krijgen. Dus kwam ik hierheen.”

Peter Schuyff, Untitled, 1984

Hoe bevalt de Amsterdamse kunstscene?

„Die heb ik nog niet echt gevonden. Ik heb wel collega’s, maar ik breng niet veel tijd met ze door. Ik ben nogal een eenling. Nederland is nooit zo happig geweest op mijn werk. Ze zien me als een Amerikaanse schilder, denk ik. Als ik meer naar openingen zou gaan, zou dat wellicht anders zijn. Ik denk dat ik altijd een misantroop ben geweest. Het is beter dat ik afstand houd.”

U maakt nu weer vergelijkbare geometrische schilderijen als destijds. Is de cirkel nu rond?

„Ja, ik schilder weer net als toen. Ik kon die schilderijen destijds maken omdat het me niets kon schelen, omdat ik jong en stoer was. Nu kan het me niets schelen omdat ik ouder en wijzer ben. Maar het resultaat is hetzelfde. Er zijn altijd cycli geweest. Ik heb altijd met licht en illusie gewerkt, met diepte en perspectief. Tussendoor is er een tijd geweest waarin ik niet de beste werken maakte. Toen kreeg ik slechte kritieken, en die verdiende ik.”

Bent u bang voor de recensies in de Britse pers?

„Nee hoor, deze tentoonstelling zal goed besproken worden, daar ben ik van overtuigd.”

Peter Schuyff. T/m 16 mei in White Cube Mason’s Yard, Londen. De tentoonstelling is op afspraak te bezichtigen. Inl: whitecube.com