Opinie

Geschenk

Ellen Deckwitz

‘Ik wil haar dus echt geen maand missen”, piept mijn zus als ik de telefoon na slechts dertig keer overgaan opneem. Ze heeft net een nieuwe vriendin en het vooruitzicht elkaar vanwege de quarantaineoproep weken niet te kunnen zien maakt haar wanhopig. „Wat vindt je geliefde?”, vraag ik.

„We hebben de coronatalk nog niet gehad”, snikt ze. „Ik word er wanhopig van.”

Dat snap ik. Als je tegen je lief zegt gezamenlijk in quarantaine te willen, kan je wanhopig overkomen, als je zegt dat je voor zelfisolement gaat, kan je weer van onverschilligheid worden beticht.

„Ik denk dat ik haar toch maar ga vragen om voorlopig bij me in te trekken”, zegt mijn zus na er even over te hebben nagedacht. „Is meteen een goede relatietest. Bovendien: als je elkaar een tijd niet ziet, raak je vaak verliefder op de herinnering dan op de persoon. Dan kan je meer van iemand gaan houden dan hij of zij misschien wel verdient, en daar moet je voor waken. Ik wil wel om de juiste redenen verliefd zijn.”

Terwijl ze doorjammert, dwaal ik af, wat maar deels mijn schuld is: het geklaag van mijn zus bezit altijd een zeer prettige cadans waarop het heerlijk nadenken is (soms maak ik haar weleens expres van slag). Terwijl haar kabbelende gekerm naar de achtergrond verdwijnt, bedenk ik dat verliefdheid en ziekte op elkaar lijken. Beide veroorzaken nervositeit, koorts, door beide kan je je flink beroerd voelen, vooral door de twijfels die ze met zich meebrengen. Je probeert uitkomsten te voorspellen op basis van ogenschijnlijke zekerheden, laat je voor de rest door adviezen leiden van derden die, als je heel eerlijk bent, er doorgaans onmogelijk meer vanaf kunnen weten dan jij.

In De Pest (1947) beschrijft Albert Camus hoe de Algerijnse stad Oran wordt getroffen door een pestepidemie. Het is vooral zwaar voor de verliefden. Ze lijden, schrijft hij, maar zijn in zekere zin ook benijdenswaardig. We kunnen volgens Camus „…die ballingen in de eerste fase van de pest bevoorrecht noemen. Juist toen de stad in paniek begon te raken, waren ieders gedachten namelijk volledig in beslag genomen door de persoon op wie ze wachtten. Het egoïsme van de liefde maakte hen immuun voor de algemene ontreddering… hun wanhoop behoedde hen voor paniek, hun ellende had een goede kant.”

Mijn zus heeft een groot talent voor onrust. Terwijl ze doorklaagt, kan ik een glimlach niet onderdrukken. Prijs het gemis dat verliefdheid veroorzaakt, denk ik. Prijs mijn zus die momenteel slechts haar eigen lijden opmerkt, niet ziet hoe gezegend ze is, waardoor de pandemie voor haar slechts een bijzaak is, waar ze anders een kettingreactie aan zenuwinzinkingen had veroorzaakt. Prijs haar blindheid voor een gave.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.