Ook de Snapchatgeneratie vindt technologie vaak ingewikkeld

Digitale geletterdheid Ze groeiden op met smartphones, maar ook jongeren begrijpen technologie eigenlijk niet altijd. Hoe school je ze bij?

Het onderlinge verschil tussen wat leerlingen digitaal kunnen, is groot. Dat maakt de situatie voor leraren „uiterst complex”. De kinderen op deze foto komen niet in het verhaal voor.
Het onderlinge verschil tussen wat leerlingen digitaal kunnen, is groot. Dat maakt de situatie voor leraren „uiterst complex”. De kinderen op deze foto komen niet in het verhaal voor. Foto Paulien van de Loo/Hollandse Hoogte

Deze generatie snapt technologie wel, wordt vaak gedacht. Jongeren zijn verslaafd aan TikTok, verslingerd aan Whatsapp, verknocht aan Snapchat – hún hoef je technologie niet meer uit te leggen.

Maar dat is een misvatting. „Als de knoppencombinaties anders zijn, of de plaatjes, dan weten sommigen niet meer hoe een programma werkt”, zegt bijvoorbeeld Wouter de Jong, docent Engels op het Stedelijk Gymnasium in Leiden. „Geef jongeren Signal in plaats van WhatsApp en een deel zal het niet snappen.”

Ook Jelte Wouters, docent bij Terra, een groene vmbo- en praktijkschool in Winsum, zegt dat schijnbaar simpele opdrachten niet altijd worden begrepen. Lever de opdracht in als pdf. Upload als bijlage. Maak een mapje. „Niemand die het ze geleerd heeft, omdat gedacht werd dat ze het wel weten.”

Het verschil tussen wat leerlingen digitaal kunnen is groot, blijkt uit een leerlingenmonitor in opdracht van Kennisnet, die deze maandag verschijnt. Voor dit onderzoek, uitgevoerd door de Universiteit Twente, maakten 746 leerlingen tussen de 10 en 13 jaar een digitale toets, waarbij ze bijvoorbeeld een sterk wachtwoord moesten bedenken en informatie op internet moesten opzoeken. Vwo’ers blijken over meer digitale vaardigheden te beschikken dan vmbo’ers, maar er zijn ook hoog presterende vmbo’ers en laag presterende vwo’ers.

Dat maakt de situatie voor leraren „uiterst complex”, is de conclusie. Temeer omdat de verschillen tussen leraren óók groot zijn, zo blijkt uit een monitor in opdracht van de PO-Raad, die ook deze maandag verschijnt. Leraren zetten ict op heel verschillende manieren in, zo blijkt.

Lees ook:Jonge kinderen zitten graag op TikTok. Maar hoe veilig is het daar?

Vaardig met smartphone

Dat digitale vaardigheden (‘geletterdheid’, in jargon) belangrijk zijn, daarover zijn de meesten het wel eens. Het onderwerp kreeg aandacht nadat de KNAW in 2013 rapporteerde dat het onderwijs jongeren niet genoeg toerust om zich te redden in de gedigitaliseerde samenleving. Jongeren zijn weliswaar vaardig met hun smartphone, aldus dat rapport, maar ze hebben weinig inzicht in de risico’s van digitale communicatie. De Tweede Kamer gaf in 2017 de opdracht digitale geletterdheid in het curriculum op te nemen. Een plan hiervoor ligt nu bij de politiek, als onderdeel van de brede vernieuwing curriculum.nu.

Veel scholen besteden er wel op een manier aandacht aan. Hoe ze dat doen, verschilt. Digitale geletterdheid is een breed onderwerp: het gaat van weten hoe Word werkt tot hoe je je privacy kunt beschermen, van informatie opzoeken tot (in mindere mate) programmeren.

Volgens Anko van Hoepen, vicevoorzitter van de PO-Raad, is er een beweging gaande waarbij schoolbesturen kijken hoe ze het vakgebied in bestaande lessen kunnen integreren. „Scholen zien dit niet meer als iets wat erbij komt. Het is niet meer zoals vroeger: fiets een computer de school in en klaar zijn we.”

Schoolbestuur Jong Leren bijvoorbeeld, waaronder 26 basisscholen vallen rondom Heemstede, zette met acht andere besturen het project ‘App Noot Muis’ op. Daarbij wordt digitale geletterdheid geïntegreerd in de taallessen. Leerlingen moeten bijvoorbeeld een griezelverhaal schrijven, en de griezelige woorden in het tekstverwerkingsprogramma vet of onderstreept maken. „Zo slaan we twee vliegen in een klap”, zegt projectleider Lisette Neijzen. Ook Engels-docent Wouter de Jong schenkt op die manier aandacht aan digitale vaardigheden. Hij vroeg bijvoorbeeld eens een boekverslag als blog te schrijven, waarvoor leerlingen een WordPress-account moesten maken (dat lukte bij sommigen niet).

Veel ict-gebruiksaanwijzingen zijn „kleine weet-dingetjes”, zegt hij. En de ethische kant (mediawijsheid, in jargon) kun je als docent behandelen als je de kans ziet, al is het maar een paar minuten aan het begin van de les. Vorige week nog liet een leerling een afbeelding zien op haar telefoon waaruit zou blijken dat de komst van het coronavirus al lang is voorspeld. „Ik zei: wat is de bron? En heb je het al doorgestuurd naar je vriendinnen? Zo wordt nepnieuws nou verspreid, zei ik.”

Het helpt natuurlijk ook een hoop als leerlingen ergens het nut van inzien. „Excel vinden ze magisch. Ik heb met een leerling een afspraak gemaakt om te kijken hoe hij zijn kosten en inkomsten kan verwerken – dat wil hij graag, hij gaat op kamers.”

Reageren in een groepsapp

Op het Terra in Winsum krijgen eersteklassers sinds vijf jaar een training in de voor- en nadelen van sociale media, vertelt directeur Jelte Wolters. „Er komen leerlingen binnen van 110 verschillende basisscholen, we zagen dat er een groot verschil in normen en waarden was.” Over of je wel of niet direct moet reageren in een groepsapp bijvoorbeeld, en of je zomaar iemand kunt taggen.

Het valt elke keer weer op hoeveel jongeren tussen de 12 en 14 jaar al meegemaakt hebben op internet, zegt Wolters. Bijna de helft is weleens benaderd in de privéchat van een game, door een onbekende, die vragen stelt als ‘hoe zie je eruit?’.

Arjan Stoffels, directeur van vakcollege ISW Irenestraat in Poeldijk, ziet dat leerlingen al een stuk digitaal vaardiger zijn dan tien jaar geleden. „Laatst was er in een klas een mooie discussie. Leerlingen kwamen tot de conclusie dat de komst van digitale middelen ook beperkt: als je je telefoon niet goed instelt, weten vrienden waar je zit, als je niet binnen een minuut reageert worden ze boos, al ben je aan het eten. Je bent minder vrij.”