In het Amsterdamse Lloyd Hotel is opeens bijna geen werk meer

Covid-19 beïnvloedt het dagelijks leven. Wat merkt hotelmanager Piet Boogert ervan?

Manager Piet Boogaard van het Lloyd Hotel in Amsterdam. Foto Olivier Middendorp
Manager Piet Boogaard van het Lloyd Hotel in Amsterdam. Foto Olivier Middendorp

In een leeg restaurant vraagt een hotelgast maandag of hij wat te eten kan krijgen. Kan, zegt de kok, maar op de kamer. Datzelfde geldt voor een meisje dat even later om koffie vraagt.

Al sinds de oprichting zestien jaar geleden loopt general manager Piet Boogert hier dagelijks rond. Babbeltje hier, babbeltje daar, dat doet hij het liefst. Hier, in het Lloyd Hotel in Amsterdam, vind je één tot vijf sterren onder een dak – échte gastvrijheid, in de woorden van Piet.

Hoe onnatuurlijk voelt het dan om een bord voor het restaurant te zetten: je mag er niet in. Om dinergasten af te bellen, koffie te weigeren. De broodjes die docenten van de naastgelegen school soms komen eten, worden nu gebracht. Voor een lagere prijs dan hij normaal zou rekenen – juist nu moet je laten zien wat je waard bent, vindt hij. Zo’n beeld van die handgel die steeds duurder wordt, dat wil je natuurlijk onder geen beding.

Vorige week voelde hij zich nog een oudgediende die wel weet wat je doen moet in crisistijd. Tsjernobyl, 9/11, de financiële crisis in 2008 – hij heeft het meegemaakt en het kwam steeds weer goed. „Maar nu weet ik het ook niet hoor. En daar schaam ik me niet voor.”

Foto Olivier Middendorp

De afgelopen weken werden elke dag zo’n vijfhonderd boekingen geannuleerd. Op dit moment is zo’n vijftien tot twintig procent van de 117 kamers bezet. Toen zondagavond bekend werd dat de horeca drie weken dicht moet, kwam de chefkok meteen: wat kan de vriezer in, wat moet op?

Het Lloyd is een „ouderwets hotel”: vrijwel alle 82 medewerkers zijn in dienst, van schoonmaak tot administratie. Vrijdag, nog voordat hij wist dat het restaurant zou sluiten, vroeg hij werktijdverkorting aan van vijftig procent. „Totaal bizar: een paar maanden geleden wisten we niet hoe we de mensen moesten krijgen om het werk te doen. Nu zitten we ineens met veel te veel mensen.” Hij heeft nog geen antwoord, het UWV „ontploft” natuurlijk, dat snapt hij ook wel.

Foto Olivier Middendorp

Er is nu tijd voor extra schoonmaak, onderhoud. Maar werk genoeg is er bij lange na niet.

Minder individualistisch

„Laat ze maar staan hoor! Ik hoop dat ze gesmaakt hebben. Sterkte voor jullie.” Bij de keuken staat een man – de conciërge van de school, blijkt, met plateaus. Daar lagen de broodjes op.

Misschien, zegt hij, dat we hierdoor anders met elkaar omgaan. Minder individualistisch. Dat zou mooi zijn. „Ik heb al gedacht… die arbeidstijdverkorting. Moeten wij ons gaan aanbieden om boodschappen te doen voor mensen? Kunnen we buiten plastic gaan rapen?” Hiep hoi, denkt hij dan, dan levert dit iets op.

Maar hij vindt de situatie ook heel spannend. Duurt dit inderdaad drie weken? Hoe noodzakelijk is het dat hij in het hotel aanwezig is? Wanneer zal het vertrouwen van de bezoeker weer zijn opgebouwd? „De onrust in mijn lijf is gigantisch. De consequenties zijn enorm.” Toch: afwachten en de spirit hoog houden, meer kun je niet doen.

En zijn ervaring leert hem wel wat. Jonge mensen in de branche, ziet hij, die schrikken zich rot, die denken dat hun toekomst naar de klote is. „Maar ik heb in ‘78 m’n entree gemaakt op de Amsterdamse hotelmarkt en de volle jaren 80 meegemaakt. De jaren van geen-toekomst, de neutronenbom en werkloosheid van hier tot Tokio.” Daarmee wil hij maar zeggen: toekomst, die is er altijd.

Foto Olivier Middendorp