In crisistijd wordt het leiderschap van de premier getest

Leiderschap In tijden van crisis leert het land zijn leiders kennen. Rust uitstralen is belangrijk, maar te veel rust is riskant.

Zoals premier Rutte maandagavond het land toespreekt over de coronacrisis, zo sprak toenmalig premier Joop den Uyl (PvdA) op 1 december 1973 de bevolking op radio en tv toe over de gevolgen van de oliecrisis.
Zoals premier Rutte maandagavond het land toespreekt over de coronacrisis, zo sprak toenmalig premier Joop den Uyl (PvdA) op 1 december 1973 de bevolking op radio en tv toe over de gevolgen van de oliecrisis. Foto Arjan de Jongh

Staatsman Mark Rutte. Dat moet het beeld vanavond worden als de minister-president om zeven uur het volk op radio en tv zal toespreken. Dit is even wat anders dan zijn wekelijkse statement tegenover de pers na afloop van de ministerraad. Nu gaat het om ‘door de regering gevorderde zendtijd’, zoals dat vroeger heette. Dat geeft de ernst van de situatie aan. De laatste keer dat dit gebeurde was op 1 december 1973, toen premier Joop den Uyl (PvdA) het land op zaterdagavond om half negen op gedragen toon toesprak over de gevolgen van de oliecrisis.

Nu is het opnieuw crisis en net als bijna een halve eeuw geleden valt van de premier een oproep tot saamhorigheid en begrip voor de ingrijpende maatregelen te verwachten. Slaagt Rutte erin zich tot ‘vader des vaderlands’ te ontpoppen?

Het is een ijzeren wet: in crisistijd leert een land zijn leiders kennen. Dan komt het aan op anticiperen, communiceren, reageren, improviseren, orkestreren. Wie kan het en wie kan het niet? Het is laveren tussen ravijn en erepodium. Of, zoals de vroegere crisisprofessor en bestuurskundige Uri Rosenthal altijd tegen zijn studenten zei: „Tijdens een crisis is voor een leider het verschil tussen wachtgeld en een lintje flinterdun.”

In crisistijd wordt het leiderschap getest onder ongewone, wisselende en vaak niet eerder vertoonde omstandigheden. De draaiboeken en protocollen geven de verantwoordelijke bestuurders het noodzakelijke houvast, maar het komt uiteindelijk aan op de maatregelen die daaruit voortvloeien. En of zij deze met gezag uitgedragen, waardoor deze ook maatschappelijk worden geaccepteerd. Of niet. In het eerste geval schaart het volk zich om de leider, in het tweede geval wacht hem afwijzing en onbegrip.

Stresstest

In de coronacrisis maakt premier Mark Rutte (VVD) kennis met de snel wisselende oordeelsvorming. Aanvankelijk, toen het virus zich ook in Nederland nestelde, was er in de publieke opinie vertrouwen in de rust die de premier uitstraalde. Maar een al te onderkoelde houding wordt ook niet geaccepteerd. Zeker niet toen er alarmistische verhalen uit Italië kwamen. Voor het weekeinde zeggen dat het schudden van handen geen enkel probleem is en dat ook nog eens zelf ostentatief demonstreren om vervolgens na het weekeinde te adviseren dit niet te doen, wekt geen vertrouwen. Rutte werd er van diverse kanten op aangevallen. Vervolgens, met het opschalen van de maatregelen omdat de situatie verergerde, nam het vertrouwen in de premier weer toe. Tot het weekend. Toen rees met verwijzingen naar strengere maatregelen in het buitenland de vraag of het toch niet opnieuw te weinig was.

„Een grote crisis is een stresstest voor personen en instituties”, zegt Uri Rosenthal, de inmiddels gepensioneerde oud-voorzitter van het Crisis Onderzoeksteam (COT) van de Universiteit Leiden, door de telefoon. Hij is niet alleen emeritus hoogleraar politicologie en bestuurskunde, maar heeft zelf ook politieke ervaring, als VVD-minister in het kabinet Rutte I. Hij wil niet oordelen over de wijze waarop de verantwoordelijken nu handelen. Daarvoor is het nog te vroeg. Hij houdt het bij algemene observaties, gebaseerd op zijn ervaringen bij het mede door hem eind jaren tachtig opgerichte COT. Een crisis kent, aldus Rosenthal, in bestuurskundig opzicht een paar vaste patronen die het leiderschap raken. „Het gaat om to be or not to be. Erop of eronder.”

Maar hoe laat je als leider zien dat je er bent? In crisistijd overheerst het ‘regering-regeer-gevoel’ onder de bevolking, weet Rosenthal. Verreweg het belangrijkste is dat de organisatie en coördinatie onder controle is. Rosenthal: „Niet voor niets luidt de oneliner in crisistijd: coördinatie is zowel de oplossing als het probleem.”

Zoals de huidige coronacrisis laat zien is er nog veel onzeker. De crisis is nog in volle gang. Beslissers moeten volgens Rosenthal „collectieve spanning kanaliseren”. Anders gezegd, ze moeten rust en daadkracht uitstralen onder omstandigheden die men niet volledig in de hand heeft. Zoals premier Rutte zelf zei op zijn persconferentie van afgelopen donderdag, waar drastische maatregelen werden aangekondigd: „Feit is dat je in een crisis als deze met 50 procent van de kennis 100 procent van de besluiten moet nemen.”

Lees ook: Mark Rutte weet dat hij nu leiderschap moet tonen

Rustig slapen

Hendrik Colijn, premier van Nederland in de jaren dertig van de vorige eeuw, bracht dit dilemma onder woorden in zijn beroemde ‘Gaat-u-nu-maar-rustig-slapen’-radiotoespraak uit 1936. Het zeker na de Tweede Wereldoorlog ingekleurde beeld is dat Colijn door deze woorden had laten blijken dat hij het gevaar van de Duitse oorlogsdreiging volledig onderschatte. Maar in de toespraak had hij juist duidelijk willen maken dat de regering wel degelijk „waakzaam” was. Het is, zei hij „beter” dat later geconstateerd wordt dat een regering „wel heel erg voorzichtig is geweest, dan dat haar verweten kan worden te hebben gedut”. Daarna riep hij de luisteraars op „even rustig te gaan slapen”. Een uitspraak die crisispremier Colijn voor eeuwig een negatief imago heeft bezorgd.

Minister-president Joop den Uyl (PvdA) overkwam juist het tegenovergestelde. Hij wist zijn populariteit aanzienlijk te verhogen ten tijde van de oliecrisis in 1973. De Arabische olieproducerende landen boycotten het Westen, waardoor ook Nederland te maken kreeg met energieschaarste. Den Uyl gaf een ‘vaderlijke’ toespraak voor radio en tv, waarin hij distributiemaatregelen aankondigde, zoals benzine op de bon. Het moest, er was geen andere keuze, luidde zijn boodschap. Om vervolgens geruststellend te zeggen: „Zo bezien keert de wereld van voor de oliecrisis niet terug. Bepaalde uitzichten vallen weg, maar ons bestaan hoeft er niet ongelukkiger door te worden.” Voor even was de verdeeldheid in het land over de persoon Den Uyl (de „linkse drammer”) weg. Electoraal incasseren kon hij niet, want er waren geen verkiezingen.

Maar wel in 1977, toen Den Uyl een voor die tijd ongekende verkiezingsoverwinning van tien zetels behaalde. Nederland ging naar de stembus terwijl in Drenthe Molukkers al weken passagiers in een trein gijzelden. Het land was ontregeld. „Op zo’n moment kiest het land voor de zittende macht”, zegt Rosenthal.

Wat het electorale effect van deze crisis zal zijn, is in dit stadium nog onmogelijk te schetsen, al was het maar omdat deze nog in volle gang is en verkiezingen pas voor over een jaar zijn voorzien. Twaalf maanden waarin niets meer zeker is, maar waar reputaties zowel kunnen worden gevestigd als sneuvelen.