‘Bent u al bij de kringloop geweest?’

Wie: Dorothé (31) vs. gemeente Amsterdam.

Kwestie: Wil bijstand voor woninginrichting.

Waar: Bestuursrechter, rechtbank Amsterdam.

De Zitting

Niemand zal ontkennen dat de situatie schrijnend is. Een lege woning met op de grond twee matrassen. Twee kinderen van 9 en 4 delen één matras, hun moeder slaapt op het andere. Het is koud ’s nachts omdat de matrassen direct op de betonnen ondervloer liggen, vertelt de moeder van de kinderen, de 31-jarige Dorothé, aan de bestuursrechter in Amsterdam. Er zijn ook geen gordijnen, geen tafel of stoelen in het huis.

Maar wiens schuld is het dat de twee jonge kinderen in een leeg huis wonen? De moeder van de kinderen vindt: die van de gemeente. De gemeente vindt: het is de verantwoordelijkheid van de moeder.

Het is koud ‘s nachts.
De matrassen liggen op de betonnen ondervloer.

Dorothé, op sneakers en in een paars trainingspak, wordt vergezeld door een advocaat van de Bijstandsbond. Over de vader van de kinderen wordt niet gesproken. Een beleidsmedewerker voert het woord namens de gemeente.

Dorothé woont sinds eind november in de sociale huurwoning in Amsterdam. Tot die tijd leefde ze met haar kinderen bij háár moeder in een appartement van 45 vierkante meter, piepklein dus. Omdat die situatie ook volgens de gemeente onhoudbaar was, kreeg de vrouw een urgentieverklaring en enige tijd later een huurwoning. Maar geld om die in te richten had ze niet.

Daarom heeft ze een beroep gedaan op bijzondere bijstand. Ze wil 6.500 euro. Daarbij baseert ze zich op richtlijnen van het Nibud voor de woninginrichting van een driepersoons gezin.

De medewerker van de gemeente vindt dat de moeder had moeten voorzien dat ze meubels moest kopen. Dat een verhuizing ‘onvoorzien’ is, is de enige grond waarop de gemeente bijzondere bijstand kan verschaffen, stelt zij. „Ieder thuiswonend kind weet dat het ooit op zichzelf gaat wonen. Dat kan onmogelijk onverwacht komen.”

Dorothé heeft wel baantjes gehad, in het verleden. Maar daarmee verdiende ze niet meer dan 500 tot 600 euro. Ze heeft een studieschuld en een schuld bij een zorgverzekering. Sinds 2017 leeft ze van de bijstand, die verlaagd werd in de tijd dat ze bij haar moeder woonde omdat zij kosten konden delen.

Haar advocaat legt uit dat ze lijdt aan het syndroom van Tietze, een aandoening die pijn veroorzaakt rond het borstbeen. Ze is ontslagen van de sollicitatieplicht.

„Bent u al bij de kringloopwinkel geweest, vraagt de rechter.

„Ja”, zegt Dorothé.

„Daar kun je voor 20 euro wel een bank kopen.”

„Nee hoor”, zegt Dorothé.

„Wat ik bedoel, is …”, zegt de rechter, „dat ik uw aanvraag bekeek, voor bijvoorbeeld een koelkast en een fornuis voor 1.500 euro en toen dacht: dat kan goedkoper.”

De advocaat van Dorothé zucht hoorbaar. De rechter, fel, tegen hem: „Niet zo zuchten meneer Van Hoof. Ik ga u zo het woord geven en heb geen behoefte aan non-verbale communicatie.”

Dorothé antwoordt de rechter: „Je wil, vooral met kinderen, goede spullen. Anders moet je over twee jaar weer iets anders kopen. Ik vind het ook belangrijk dat als er iets stukgaat, je dan terug naar de verkoper kan.”

„U hebt wel de eerste maand huur van de gemeente gekregen”, zegt de rechter.

„Ja”, beaamt Dorothé. „Met moeite.”

Haar advocaat voert aan dat zij in de jaren bij haar moeder vrijgesteld was van het aflossen van schulden omdat ze lagere bijstand kreeg. „Dus de gemeente zegt: u krijgt zo weinig geld dat u uw schulden niet kunt afbetalen. Maar diezelfde gemeente zegt nu wel: u had in die periode moeten sparen. Dat wringt.”

De medewerkster van de gemeente blijft erbij dat Dorothé had moeten sparen „bijvoorbeeld toen zij nog werkte, zoals iedere jongere dat moet”.

In het vonnis blijkt de rechtbank het daarmee eens. De gemeente heeft „een juiste afweging” gemaakt tussen „het publieke belang om bijzondere bijstand te weigeren” en „het belang van de moeder en haar kinderen”. Er is geen sprake van schending van het recht op respect voor familie en gezinsleven.